donderdag 7 december 2017

Dag 31 van de reis door het werkboek van Een Cursus in Wonderen

Wat ook verwarring kan geven, om terug te keren naar dit eerder aangehaalde thema, zijn de passages in het werkboek die suggereren dat God betrokken is in deze wereld en dat wat we met ons lichaam doen belangrijk is. Kijk maar eens naar les 71 die ons voorschrijft om tot God te zeggen: ‘Wat wilt U dat ik doe? Waarheen wilt U dat ik ga? Wat wilt U dat ik zeg en tegen wie? Dit kan er toe leiden te denken dat wanneer we dit gebed opzeggen alles in orde is en komt omdat het ons – door God Hemzelf! – zal gezegd worden. Het is om deze reden dat ik er bij studenten blijf op aandringen om wat het werkboek zegt niet uit zijn context te nemen. Aangezien we ons identificeren met het lichaam kan het ook niet anders dan dat wij dezelfde voorstelling hebben van God of van Jezus. We onderdrukken ons heimelijk geloof dat God de wraakzuchtige vijand is en bedekken dit met een fantasie dat onze Vader alles mooi en schitterend voor ons zal maken. Maar aangezien we geloven dat God onze vijand is corrigeert Jezus dit door te zeggen dat onze Vader onze vriend is die bezorgd is om ons als mens. Zo lezen we bijvoorbeeld in les 194  ‘Ik leg mijn toekomst in Gods handen’ het volgende:

God heeft jouw toekomst in handen zoals Hij jouw verleden en heden in handen heeft. Ze zijn één voor Hem en dus zouden ze voor jou één moeten zijn. Maar in deze wereld lijkt de voortgang van de tijd nog steeds werkelijkheid. En dus wordt jou niet gevraagd het ontbreken van opeenvolging, dat feitelijk in de tijd te vinden is, te begrijpen. Jou wordt alleen gevraagd de toekomst los te laten en in Gods Handen te leggen. (Wd1. 194. 4:1-5)

Jezus zegt dat er geen tijd bestaat, slechts een illusie waarin verleden, heden en toekomst één zijn. Dit is echter moeilijk te begrijpen voor ons omdat we nog steeds geloven dat tijd werkelijk is. Dus vraagt hij ons niet om te begrijpen dat er ook geen toekomst is, hij vraagt ons alleen te geloven dat God van ons houdt. Het is de oudere broer die spreekt tegen zijn kleine broertjes en zusjes, wetende dat het niet behulpzaam is om tegen de kleintjes te zeggen: ‘Val Papa toch niet lastig, Hij weet toch niks af van jullie bestaan hier.’ De behulpzame correctie is door te zeggen: ‘Je kan Papa vertrouwen, Hij is niet boos op je.’ En dat is de boodschap: God is niet boos. Hij is er niet op uit om te straffen maar enkel om lief te hebben en er is niets gebeurd die deze Liefde van en met Hem kan verstoren.

Jezus brengt deze boodschap niet over door ons een uitgebreide verhandeling te geven over zonde, schuld, angst en tijd die gemaakt is als een verdediging tegen de angst. Wat hij wel doet en behulpzaam is, is het corrigeren van de vergissing - de vergissing die zegt dat we God niet kunnen vertrouwen omdat Hij er wraakzuchtig op uit is te straffen. We kunnen onze Vader dus vertrouwen, onze toekomst in Zijn Handen leggen terwijl Jezus ons ook te kennen geeft dat er geen toekomst is en in feite zegt: ‘Omdat jij gelooft dat de toekomst bestaat praat ik tegen jou op die manier. Maar het is niet de vorm van wat ik tegen je zeg die waar is, maar de inhoud is waar.’ Vergelijkbaar hiermee is waar hij zegt dat God ons mist, dat Hij eenzaam is en niet compleet omdat wij Hem verlaten hebben. Waarom zegt Jezus dit? Niet om de woorden letterlijk te nemen, maar wel de inhoud ervan, met andere woorden Jezus leert ons zijn boodschap van liefde op een manier die we zonder angst kunnen begrijpen.

Het ego daarentegen vertelt ons dat God blij is dat Zijn Zoon weggegaan is en bovendien ‘opgeruimd staat netjes!’. Jezus zegt ons dat onze Vader eenzaam is omdat we van huis zijn weggelopen. In een andere passage wordt ons gezegd dat God huilt om ons. Op een liefdevolle manier gebruikt Jezus symbolen om de waarheid over te brengen, de waarheid dat God van ons houdt en dat de zonde die we tegen Hem waarnemen geen enkel gevolg kent.

In les 192 ‘Ik heb een functie die God mij graag ziet vervullen’ verwijst Jezus naar God daar waar hij de Heilige Geest bedoelt, de Heilige Geest die de enige is die vergeving kent:

Het is je Vaders heilige Wil dat jij Hemzelf compleet maakt en dat jouw Zelf Zijn heilige Zoon is, voor eeuwig zuiver zoals Hij, uit liefde geschapen en in liefde bewaard, liefde uitbreidend, scheppend in haar naam, voor eeuwig één met God en met jouw Zelf. Maar wat kan zo’n functie betekenen in een wereld vol afgunst, haat en aanval?
Daarom heb je een functie in de wereld in haar eigen termen. Want wie kan een taal begrijpen die zijn eenvoudig begrip verre te boven gaat? (Wd1. 192. 1:1 - 2:2)

Jezus verduidelijkt dat hij op de hoogte is dat de wereld een plek is van ‘afgunst, haat en aanval’ en de gedachte van afgunst, haat en aanval voorstelt. Het betekent daarom veel meer om te spreken over hoe deze gedachte ongedaan kan gemaakt worden in plaats van te spreken over een Liefde die we niet kunnen begrijpen, een Liefde waar wij de verlenging van zijn.
Gezien we net kleine kinderen zijn - meer wel dan niet - spreekt hij ons op zo’n manier aan want ‘wie kan een taal begrijpen die ver buiten het eenvoudige begrip ligt?’
Wat we echter wel kunnen begrijpen is dat wij in de Hemel een liefhebbende Vader hebben die handelt, denkt, voelt en huilt als een persoon. Die ons mist, eenzaam en niet compleet is zonder ons. Die tot ons praat en waar wij mee kunnen praten. Die tenslotte door Zijn enorme Liefde voor ons een plan heeft om het ego ongedaan te maken. Met andere woorden, Jezus praat tegen ons alsof God een lichaam zou hebben gezien wij geloven dat wij een lichaam hebben.

In andere passages helpt Jezus ons echter ook begrijpen dat God abstract is en niet specifiek, dat Hij geen lichaam heeft en niets weet van de wereld, dat Hij geen woorden begrijpt en onze gebeden niet hoort. Wanneer we deze verklaringen naast elkaar leggen dan lijkt het erop of hij zichzelf tegenspreekt. Wanneer we echter de spirituele reis zien in de vorm van een ladder dan kunnen we zien dat vele van Jezus’ uitspraken gericht zijn op het laagste deel van de ladder, sommige op het middelste deel en andere dan weer op de top. Als we dit op deze manier kunnen begrijpen zien we dat ze elkaar in het geheel niet tegenspreken. We moeten altijd denken aan de betekenis, de inhoud of het doel en niet aan de vorm. En dus lezen we o.a. dat vergeving niet iets van God is:

Vergeving vertegenwoordigt jouw functie hier. Ze is niet Gods schepping, want ze is het middel waarmee onwaarheid ongedaan kan worden gemaakt. En wie zou aan de Hemel vergeving willen schenken? … Vergeving beziet mild alles wat onbekend is in de Hemel, ziet het verdwijnen en laat de wereld achter als een schone, onbeschreven lei waarop het Woord van God de zinloze symbolen, die er eerst geschreven stonden, nu kan vervangen. (Wd1. 192. 2:3-5; 4:1)

Vergeving is in de Hemel niet gekend. Het raakt de waarheid helemaal niet omdat de waarheid voorbij alle wereldse illusies ligt. De ‘onwaarheid’ die de waarheid bedekt is wat ongedaan moet gemaakt worden. ‘Vergeving beziet mild alles wat onbekend is in de Hemel’: al onze aanvalsgedachten – haat, zonde, speciaalheid – en de projecties van deze aanvalsgedachten in de wereld. Herinner je deze belangrijke zinnen: ‘Vergeving is stil en doet niets. Ze kijkt slechts, wacht en oordeelt niet.’ (Wd2. 1. 4:1, 3)

Wat hier belangrijk is om te begrijpen is dat Jezus het niet heeft over het doen van grote en wonderbaarlijke dingen in de wereld. Hij geeft niet om cijfers van de studenten of voor het hervormen van de wereld naar Een Cursus in Wonderen. Hij leert ons eenvoudig dat vergeving kijkt naar datgene wat in de Hemel niet bekend is om op een liefdevolle manier toe te kijken hoe het verdwijnt. En het moet wel verdwijnen omdat we er op een liefdevolle manier naar kijken. Wanneer we er op een hardvochtige manier zouden naar kijken, wat de manier is waarop we meestal naar de wereld van het ego kijken – door de ogen van schuld, angst en oordeel - dan wordt het in onze denkgeest eerder vastgehouden en maken we het denksysteem van het ego werkelijk. Naarmate we vorderen in het lezen, bestuderen en beoefenen van de Cursus zullen we zien hoe vaak het idee om het ego niet werkelijk te maken, naar voren komt.

Want nogmaals ‘Vergeving beziet mild alles wat onbekend is in de Hemel, ziet het verdwijnen …’ en vanaf dat moment af is de wereld zuiver achtergelaten. In deze context is de wereld enkel denkgeest omdat het uiterlijke en het innerlijke hetzelfde is. Zonder het ego blijft er enkel nog denkgeest met het Woord van God, het Verzoeningsprincipe die de Liefde van de Heilige Geest weerspiegelt. Dit is het thuis van Jezus, het juist gerichte denken dat bevrijd is van gedachten van zonde, opoffering en aanval. De genezende woorden van God vervangen ‘de zinloze symbolen, die er voorheen geschreven stonden’. En onze lichamen worden nu een leerschool waarin we kunnen leren:

Vergeving is het middel waardoor de angst voor de dood overwonnen wordt, omdat die nu geen hevige aantrekkingskracht meer uitoefent en schuld verdwenen is. Vergeving laat het lichaam zien als wat het is: een eenvoudig leermiddel dat terzijde wordt gelegd wanneer het leren is voltooid, maar hem die leert allerminst verandert. (Wd1. 192. 4:2-3)

Het lichaam dat gemaakt werd om een beperking te zijn en een aanval op liefde – een instrument van schuld, lijden, pijn en dood – wordt nu getransformeerd tot een leermiddel. Het is niet goed, noch slecht, heilig of onheilig, maar neutraal en bevrijd om het heilige doel van vergeving te dienen. Dit is de betekenis van een gevorderde leraar te zijn van God. We zijn niet het Woord van God, maar staan toe dat het via ons kan gesproken worden. Onze taak bestaat er slechts in te kiezen tegen de blokkades en voor de waarheid die we uiteindelijk verwelkomen. Wat overblijft is het stralende Woord, de glansrijke liefde van Jezus die zich via ons moeiteloos en op natuurlijke wijze uitbreidt.

(wordt vervolgd)


dinsdag 5 december 2017

Dag 30 van de reis door het werkboek van Een Cursus in Wonderen

De tweede manier van leven in de wereld waar Jezus ook voor waarschuwt, heeft te maken met mensen die geloven dat de wereld waardevol is. Typisch hiervoor is wat de gemeenschap materialistisch noemt, toegewijd om auto’s te bezitten, geld en bezittingen van allerlei soort, samen met het streven naar beroemdheid, prestige en verering. De wereld is dan een mooie plek wanneer we krijgen wat we willen. Jezus zegt echter dat wanneer men ‘kiest voor niets dan de wereld … men lijdt aan een gevoel van verlies dat nog dieper ligt en dat men niet begrijpt.’

Met andere woorden, wanneer men verkregen heeft wat men verlangde zal men voelen dat dit niet genoeg is en dat men nog steeds iets mist. En gezien het ego houdt van vergelijkingen blijft er het zeurende geloof dat iemand anders meer heeft wat enkel leidt om een nog groter bezit, met het gevolg om steeds meer en meer te verkrijgen, maar toch tegelijkertijd het gevoel blijven houden dat men nooit genoeg kan krijgen.

Uiteindelijk is de waarde van deze tweede groep gesteund op de hoeveelheid van uiterlijke bezittingen of waarderingen van anderen. Wat er in werkelijkheid gebeurt is dat de denkgeest gevuld is met het gevoel van leegte, met de liefde van geld, zaken en andere lichamen die hen zullen aanbidden op het graf van de speciaalheid, maar niet met de Liefde van God.

De middenweg nu ‘leidt weg van elk soort verlies, want offers en ontbering worden daar beide snel achtergelaten … . Je bewandelt dit pad zoals anderen dat doen en je lijkt niet verschillend van hen, hoewel je dat wel degelijk bent.’ (Wd1. 155. 5:1, 3).
Wat jou als een gevorderde leraar van God anders maakt is dat je nu met Jezus of met de Heilige Geest gaat en niet met het ego. Dit betekent eenvoudig dat jouw uiterlijke vorm en gedrag hetzelfde is als van iedereen maar je glimlacht vaker en enkel liefde kan nu via jou komen. Je hebt een onvervalst gevoel van mededogen en zorg, niet van een groep naar een andere, maar naar alle mensen en in alles wat je ziet, doet of voelt komen uitzonderingen niet meer voor. Je herkent dat iedereen zowel slachtoffer is als maker van slachtoffers, want we lijden allemaal door die enorme berg schuld die afkomstig is uit het geloof dat we inderdaad de Hemel vernietigd hebben, dat we weggelopen zijn van huis en nooit meer onze weg terug zullen vinden.

Wat ook kenmerkend is voor de middenweg is dat eens jij je geïdentificeerd hebt met de vrede van God en met de liefde van Jezus je die toestand van de denkgeest als volkomen normaal zult ervaren en niet als iets ongewoons. Er is bijvoorbeeld niet langer behoefte om luidkeels je ‘gevorderde staat’ te verkondigen naar anderen toe. De Heilige Geest onderwijst aan de hand van contrast (T. 14. II. 1) en jij zal deze natuurlijke staat herkennen door in te zien dat je niet langer reageert op situaties zoals je voorheen deed. Jouw vrede wordt onmiskenbaar en jij zal het verschil voelen, maar ook zij die met je leven en werken.

Uiteindelijk zal je anderen dienen, niet door goed werk te verrichten in de wereld, maar door hen te herinneren aan datgene wat jij je herinnerd hebt. Er is niets mis mee om anderen in de wereld te helpen zolang je maar weet dat jij niet de helper bent en dat je geen enkele investering hebt in hoe de wereld hierop reageert. Dan wordt de vorm (gedrag) verwart met de inhoud (gedachte). Het onderdeel ‘De functie van de leraar van God’ in het Handboek voor leraren geeft op een prachtige manier dit belangrijk aspect, een leraar van God te zijn, weer. Daar verwijst Jezus hoe men als een leraar van God mensen die ziek zijn kunnen helpen en het mag duidelijk zijn dat dit bedoeld is voor iedereen en niet alleen voor hen die fysiek ziek zijn.

De eenvoudige aanwezigheid van een leraar van God is een herinnering. Zijn gedachten vragen het recht om te betwijfelen wat de zieke als waar heeft aangenomen. … Ze vertegenwoordigen het Alternatief. Met Gods Woord in hun gedachten komen zij al zegenend, niet om de zieken te genezen, maar om hen de remedie in herinnering te brengen die God hun al gegeven heeft. Het zijn niet hun handen die genezen. Het is niet hun stem die het Woord van God spreekt. Ze geven louter wat hun gegeven is. Heel vriendelijk roepen ze hun broeders op zich af te keren van de dood: ‘Aanschouw, jij Zoon van God, wat het leven jou bieden kan. Zou jij in plaats hiervan ziekte willen kiezen? (HvL. 5. III. 2:2-3, 6-12)

Het enige wat we als een leraar van God doen is herinneren, niet aan de hand van woorden, maar door het uitbreiden van de vrede, via ons naar de wereld toe. Dit is de herinnering aan anderen dat zij hun geloof, gevoel en gedrag in vraag kunnen stellen, namelijk dat de boosheid en de pijn die we voelen altijd afkomstig is van een keuze die we gemaakt hebben, die we als een feit aangenomen hebben en vergeten zijn dat we dit in vraag kunnen stellen; onze boosheid lijkt een werkelijkheid te zijn en onze schuld iets waarmee we geboren werden.

Voor hen die niet bewust zijn en vergeten zijn dat zij een denkgeest hebben is onze vrede een manier om te zeggen dat er een andere keuze is. Om het met de woorden van Jezus te zeggen: ‘Hij vertegenwoordigt het Alternatief’. Onze functie is niet om de zieke te genezen en ook niet om iets op het uiterlijke niveau te doen zodat men zich beter gaat voelen. Mogelijks kan ons lichaam dit doen, maar in werkelijkheid vindt de genezing plaats via ons. En we zullen het verschil kennen wanneer we zelf geen enkele investering hebben wanneer die andere gelukkig is of genezen of dat omwille van ons een situatie veranderd is. We zullen weten dat het gedaan is met de Heilige Geest in plaats van met het ego wanneer ons zelfbeeld niet veranderd door het prachtige werk die we doen en al die mensen die ons zeggen hoe geweldig we wel zijn. Met andere woorden, we weten dat de liefde en de vrede van Jezus het enige is wat we willen, het enige is wat we hebben, het enige is wat we zijn en dat er niets anders is. Of die andere persoon ons daarom zegt hoe geweldig we zijn doet er niet toe. Of die andere persoon nu opstaat van zijn ziekbed en kan lopen door ons toe doen maakt niet uit. Dit wil ook niet zeggen dat dergelijke dingen niet zullen gebeuren, het betekent alleen maar dat het niet ter zake doet voor onze innerlijke vrede en ware genezing.

‘Ze geven louter wat hun gegeven is. Heel vriendelijk roepen ze hun broeders op zich af te keren van de dood: ‘Aanschouw, jij Zoon van God, wat het leven jou bieden kan. Zou jij in plaats hiervan ziekte willen kiezen?’

Dit wil niet zeggen dat we iemand in het ziekenhuis bezoeken met het handboek voor leraren onder de arm en hieruit gaan voorlezen. En ik weet dat dit stom klinkt maar ik verzeker je dat er studenten geweest zijn van de Cursus die dit gedaan hebben. Nogmaals het gaat hier altijd en alleen over de inhoud (denkgeest) en nooit over de vorm (het lichaam). Wanneer we onze ego’s uit de weg hebben geruimd, weerspiegeld liefde en vrede zich op een natuurlijke manier in ons gedrag en houding. Ons juist gerichte denken zal spreken van het feit dat dit ook in die andere persoon aanwezig is aangezien denkgeesten verbonden zijn. Net zoals wij ervoor gekozen hebben om Jezus bij ons te hebben kan de keuzemakende denkgeest van deze persoon er ook voor kiezen om aanwezig te zijn bij zijn liefde.

Niet één keer nemen de gevorderde leraren van God de vormen van ziekte in overweging waarin hun broeder gelooft. Deden ze dit wel, dan waren ze vergeten dat die allemaal hetzelfde doel hebben en daarom in wezen niet verschillen. (HvL. 5. III. 3:1-2)

Opnieuw zien we hier het thema dat alles hetzelfde is, een thema dat in het werkboek keer op keer weer naar voren komt. Dit is ook de reden waarom in de instructies van de eerste lessen zo sterk de nadruk gelegd wordt om in onze dagelijkse oefeningen geen enkel voorwerp uit te sluiten omdat alles hetzelfde is. Deze diepzinnige boodschap leert Jezus ons aan de hand van schijnbaar eenvoudige instructies. Hij leert ons om ons niet te laten innemen door de vorm. Dit is wat ik eerder ook bedoelde met mijn waarschuwing over cijfers en hoeveelheid. Het maakt niet uit hoeveel mensen er Een Cursus in Wonderen bestuderen. Het maakt niet uit of er slechts een persoon is die Een Cursus in Wonderen bestudeerd – jij – omdat in onze eigenste droom wij de enige zijn die hem bestuderen en dat zou onze enige focus moeten zijn. Gezien onze denkgeesten in werkelijkheid één zijn, breidt de liefde die ons verbindt zich automatisch uit om elke denkgeest te omarmen. Deze uitbreiding in de denkgeest of in de wereld is niet onze zorg. Het gebeurt automatisch en op natuurlijke wijze zonder onze hulp hierin. Een gevorderde leraar van God zijn is daarom het gemakkelijkste wat men in deze wereld kan doen omdat we niets hoeven te doen. Alles wordt via ons gedaan. Onze enige verantwoordelijkheid is gefocust te blijven op de obstakels en die met de Heilige Geest naast ons, los te laten.

(wordt vervolgd)

zondag 3 december 2017

Dag 29 van de reis door het werkboek van Een Cursus in Wonderen

De Cursus onderwijst dat God de wereld niet heeft geschapen, maar hij veroordeelt of beschuldigt haar niet of raadt zijn studenten niet af om betrokken te zijn met het lichaam. Zoals het in de tekst staat:

Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen. (T. 18. VI. 4:7-8)

Een eerste manier van in de wereld te zijn is gesteund op het geloof dat de wereld slecht is en daarom moet opgegeven worden. Het probleem echter is dat er een ander deel in ons is dat zich aangetrokken blijft voelen tot de wereld wat betekent dat we datgene waartoe we ons aangetrokken voelen moeten opofferen: als God zegt dat ik niet betrokken moet zijn bij de zonden van het vlees moet ik mijzelf afzonderen van lichamelijke zonden zoals het plezier van seks, eten, kleding, een comfortabel bed, enz. . Het probleem ligt dus in het feit dat we de wereld tegen elke prijs moeten vermijden. Het gevolg is een conflict, een geloof dat God ons vraagt iets wat we werkelijk verlangen op te geven.

Het geloof in opoffering en verlies stamt af van het conflict om aan de wereld te verzaken terwijl er toch geloofd wordt in de werkelijkheid ervan. Het begrip 'opoffering' heeft in alle wereldse religies een grote rol gespeeld, zowel in het Oosten als in het Westen. Maar in deze les legt Jezus ons uit dat dit niet is wat hij wil.

Hetzelfde vind je ook terug in het deel ‘Ik hoef niets te doen’ (T. 18. VII) waar vooral de nadruk ligt op hen die hun hele leven wijden aan contemplatie, offeren en vechten tegen de zonde. Hij legt uit dat deze benadering op lange termijn wel werkt gezien het doel ervan God is, maar het zal heel veel tijd in beslag nemen. De manier die hij ons met zijn Cursus aanbiedt duurt een stuk korter omdat zij de vergissing niet eerst werkelijk maakt om dan te proberen er van af te geraken. Hij kijkt gewoon naar de vergissing en zegt dan dat dit niet de waarheid is.

Want nogmaals, vele studenten van Een Cursus in Wonderen zijn geneigd om in die richting te gaan die ontstaan is uit de verwarring tussen vorm en inhoud en daarom proberen hun gedrag te veranderen. Studenten beamen dat zij hun broeders, die één zijn met hen, vertrouwen, dat hun veiligheid in hun verdedigingsloosheid ligt en dat een genezen denkgeest geen plannen maakt en doen dit op een manier waarmee ze vaak hun leven of het leven van hun geliefden in gevaar brengen  zoals: ik doe de deur van mijn huis niet op slot, ik maak geen plannen voor de toekomst, ik annuleer alle verzekeringspolissen want ik ben nu een gevorderde leraar van God en ben dus voorbij al deze wereldse concepten.

Hier speelt de hoop dat als men datgene wat buiten zichzelf is (gedrag) veranderd, datgene wat binnen in zich is (denkgeest) ook veranderd. Het enige wat echter gebeurt is dat de schuld binnenin blijft en nog meer gebarricadeerd wordt. Ons gedrag mag dan misschien wel veranderd zijn, maar aan het denken is niets veranderd.

In het wereldse denken gelooft men dat wanneer men zijn gedrag verandert men ook zichzelf verandert. Een Cursus in Wonderen leert het tegenovergestelde, dat door ons zelf, m.a.w. onze denkgeest te veranderen onze wereld zal veranderen of in ieder geval onze ervaring van de wereld zal veranderen. Het gaat er niet om gericht te zijn op de verandering van wat buiten ons ligt. Het is het innerlijke die de oorzaak is van het uiterlijke en niet andersom.

Om dit centrale punt nog eens te herhalen: de belangrijkste verwarring in onze ontwikkeling als leraar van God is dat we de vorm verwarren met de inhoud. Dit is een Cursus enkel in inhoud en niet in vorm. De passage in de tekst die gaat over de speciale relaties heeft als doel ons te helpen om deze verwarring op te lossen. In een verdoken kritiek op het christendom en dan in het bijzonder op het katholicisme wijst Jezus naar deze verwarring van vorm en inhoud door het vaststellen van rituelen als zou dit de Wil van God zijn en dat men zijn liefde voor de Schepper aantoont door te gehoorzamen aan wetten die Hij gemaakt heeft. De draagwijdte van de kritiek die Jezus geeft, is dat niet het ritueel of de vorm belangrijk is, maar de inhoud. Daarom legt hij er in zijn Cursus de nadruk op dat hij wil dat we ons verbinden met zijn denkgeest.

De verkeerde overtuiging speelt, namelijk dat door het uiterlijke leven te veranderen we een gelijksoortige verandering in onze innerlijke wereld zullen kennen. Dit dragen we uit door een gedrag aan te nemen in de wereld die we als spiritueel beoordelen zoals ‘Ik leg mijn toekomst in Gods handen’ of door een gedrag aan te nemen die ons in staat stelt de wereld die we veroordelen tot een zondige plek, te vermijden. Daarom is deze les zo belangrijk. In essentie zegt Jezus ons om normaal te zijn, om te kijken en ons te gedragen zoals iedereen, maar om alles te doen met hem in plaats van met het ego. Een van de belangrijkste dingen die we in gedachten moeten houden is dat wanneer je met de Cursus werkt je niet mag vergeten om normaal te zijn en te doen.

Een laatste punt over deze eerste manier van in de wereld te zijn is dat eens we een dergelijk gedrag bestempelen als spiritueel of niet spiritueel we hiermee zeggen dat er een rangorde is in illusies. Bijvoorbeeld een verzekeringspolis hebben is niet goed, ze niet hebben is wel goed. Sloten hebben op de deur is niet goed, geen sloten hebben op de deur is wel goed. Zeggen dat dingen in de wereld wel of niet goed zijn verondersteld duidelijk dat er een wereld is. Door de wereld op te delen in heilige en onheilige mensen, spirituele en niet spirituele handelingen, bevestigen we de dualiteit: God-ego, slacht-offer-slachtoffermaker, heilig-onheilig. We nemen die waanzinnige gedachte, projecteren haar in de wereld en zien overal om ons heen dualiteit en tegenstellingen.

(wordt vervolgd) 

vrijdag 1 december 2017

Dag 28 van de reis door het werkboek van Een Cursus in Wonderen

In de 2e alinea van les 155 gaat Jezus verder met zijn onderricht over hoe wij een leraar worden:

De wereld is een illusie. Zij die verkiezen er te komen, zoeken een plaats waar ze illusies kunnen zijn en hun eigen werkelijkheid vermijden. Maar wanneer ze merken dat hun eigen werkelijkheid zelfs hier is, doen ze een stap terug en laten haar de weg wijzen. Welke andere keuze kunnen zij werkelijk maken? Illusies vóór de waarheid uit laten gaan is waanzin. Maar illusie achter de waarheid laten verzinken en de waarheid naar voren laten treden als wat ze is, is niet meer dan gezond verstand. (Wd1. 155. 2)

Iedereen die hier in de wereld komt probeert zijn of haar zelfbeeld als een afgescheiden zelf te beschermen. De wereld is het middel om dit doel aan te tonen. In die zin is de wereld een schuilplaats waarin men de eigen werkelijkheid kan ontwijken. Een leraar van God laat de illusies achter de waarheid wegzinken en laat de waarheid op de voorgrond treden voor wat zij is. Als leraar van God zijn we er ons bewust van dat we in de wereld zijn maar dat we niet van de wereld zijn. We leven in de wereld als een lichaam, maar toch weten we dat de Heilige Geest in onze denkgeest bij ons is en dat we kinderen van God zijn en niet van het ego. Ons ego is een stap achteruit gezet, wat betekent dat de ‘jij’ die zich geïdentificeerd had met het ego een stap achteruit heeft gezet waardoor liefde de werkelijkheid wordt en de weg begeleidt. Alles wat we dan doen komt dan voort uit die werkelijkheid. Jezus herinnert ons er ook aan dat we eerder geneigd zijn om de waarheid naar de illusie te brengen in plaats van de illusie naar de waarheid. De les is om te kijken naar de illusie en er niet bang voor te zijn. Pas dan kan ze vervangen worden door de waarheid.

In de vierde en vijfde alinea van deze les beschrijft Jezus drie verschillende manieren om in de wereld te zijn.

- de eerste bevat mensen die geloven dat de wereld slecht is of zondig en dat dit moet vermeden worden.

- de tweede manier bevat diegenen die geloven dat de wereld waarde heeft en er sterk mee verbonden zijn omdat zij het middel is om tevredenheid en geluk te bereiken.

- de derde is de middenweg, die van de (gevorderde) leraar van God. Dit zijn degenen die samen met Jezus en niet met het ego lopen. Hun gedrag en verschijning is zoals die van iedereen, maar er is vrede in hen want het is de liefde die op de voorgrond treedt en niet schuld en speciaalheid.

Als de waarheid van hen zou eisen dat zij de wereld opgaven, zou dit hun toeschijnen alsof ze het offer vroeg van iets wat werkelijk is. Velen hebben verkozen de wereld te verzaken terwijl ze nog steeds geloofden in de werkelijkheid ervan. En ze hebben geleden onder een gevoel van verlies en zijn bijgevolg niet bevrijd. Anderen hebben niets dan de wereld gekozen, en zij hebben geleden onder een nog dieper gevoel van verlies, dat ze niet begrepen.
Tussen deze paden ligt een andere weg die wegvoert van elk soort verlies, want offers en ontbering worden daar beide snel achtergelaten. Dit is de weg die jou nu wordt aangewezen. Je bewandelt dit pad zoals anderen dat doen en je lijkt niet verschillend van hen, hoewel je dat wel degelijk bent. Zo kun je hen dienen terwijl jij jezelf dient, en hun schreden naar de weg leiden die God voor jou, en door jou voor hen, geopend heeft. (Wd1.155.4-5)

Zij die geloven dat de wereld boosaardig is zien hierin de projectie van hun eigen zonde die nu niet langer bij zichzelf waargenomen wordt. Zij zien de vorm van de zonde buiten zichzelf met als resultaat dat zij geloven dat de wereld een slechte plek is. Dit is vaak een neiging van mensen die werken met de Cursus die denken dat als Jezus zegt dat de wereld een illusie is, hij hier mee bedoeld dat de wereld zondig is.

Wanneer je het gevoel hebt dat jij je moet terugtrekken van de wereld of van haar verantwoordelijkheden, van normaal zijn, dan zeg je hiermee dat de wereld slecht is, niet heilig of niet spiritueel. En van zodra je dit zegt, maak je haar werkelijk en door dit te doen heb je ook de gedachten van afscheiding en schuld die de wereld vertegenwoordigd, werkelijk gemaakt.

Dit was de vergissing van de Gnosis. De Gnosis, een psychologische school die bloeide in de eerste eeuwen van het Christendom geloofde bijna unaniem dat de wereld niet werkelijk was, dat God haar niet geschapen had, zowel de God van het Oude als van het Nieuwe Testament was de ego god - al maakten zij geen gebruik van deze term - en dat de ware God hieraan voorbij lag. Hiervan overtuigd hebben velen onder hen – niet allemaal – de wereld ontvlucht in de overtuiging dat zich ermee inlaten een zonde was, gelovend dat, omdat de wereld een gevolg was van een ondergeschikte God, er op gelijk welke manier in of erbij betrokken raken in de klauwen vallen was van deze valse goddelijkheid. 
Valentinus was een van de weinige gnostische leraren die ontsnapt was uit deze valstrik.

(wordt vervolgd)

woensdag 29 november 2017

Dag 27 van de reis door het werkboek van Een Cursus in Wonderen

We gaan nu terug naar les 155, een belangrijke les waar ik vaak naar verwijs en dan in het bijzonder naar de openingsalinea. Die alinea, maar in feite ook de hele les, waarschuwt ons voor de gekende valstrik van het ego om als heilig over te komen en het feit dat iedereen weet hoe prachtig we geëvolueerd zijn als leraar van God.  Een verwarring tussen vorm en inhoud.

Er is een manier om in de wereld te leven die niet van deze wereld is, ook al lijkt ze dat wel te zijn. Je verandert niet van uiterlijk, hoewel je vaker glimlacht. Je voorhoofd is sereen, je ogen staan rustig. En degenen die door de wereld gaan zoals jij herkennen hun gelijken. (Wd1. 155.1:1-4)

Je verandert niet van uiterlijk. Je gedraagt je niet anders, spreekt, kleedt of eet niet anders. Je lijkt inderdaad zoals iedereen lijkt. Het enige verschil - dat je vaker glimlacht - is omdat je vredig bent. Dit komt omdat je een stap achteruit doet en Hem de weg laat leiden. Jij leidt de weg niet, dat doet de Heilige Geest. Jij doet een stap achteruit en kijkt samen met Hem naar je ego, neemt het niet langer serieus en geeft het niet langer de macht om jou te raken. Dit tilt jouw last van schuld en pijn op en laat je enkel achter met een milde glimlach. Nu schuld verdwenen is, is het enige wat er in de denkgeest nog overblijft de liefde van Jezus en het is deze liefde die nu via jou stroomt. Weten dat je niets anders hoeft te doen opdat die liefde door jou zou kunnen stromen is essentieel. Jouw taak is eenvoudig om een stap achteruit te zetten en te kijken naar de inmenging van je ego. En Hij doet de rest.  

Een thema dat steeds terugkeert, zowel in de tekst maar vaker in het werkboek, is dat Jezus, de Heilige Geest en Christus ons lichaam nodig hebben. Dit wordt onder andere uitgedrukt in les 154: Ik ben een van de dienaren van God:

We oefenen erin Hem (de Heilige Geest) te geven wat Hij graag wil, opdat wij Zijn gaven aan ons mogen herkennen. Hij heeft onze stem nodig, opdat Hij via ons kan spreken. Hij heeft onze handen nodig, om Zijn boodschappen vast te houden en ze naar hen te brengen die Hij aanwijst. Hij heeft onze voeten nodig, om ons te brengen waar Hij wil, opdat zij die wachten in ellende eindelijk mogen worden bevrijd. En Hij heeft onze wil nodig, verenigd met de Zijne, opdat we de ware ontvangers mogen zijn van de gaven die Hij schenkt. (Wd1.154.11)

Uitgezonderd van ‘wil’ wat verwijst naar de juist gerichte keuze, verwijst alles wat Jezus hier opnoemt naar ons lichaam: stem, handen en voeten.

Een andere manier waarbij dit thema wordt uitgedrukt komt voor in de inleiding van de vijfde herhaling waar Jezus zegt:

Laat deze herhaling dan jouw geschenk zijn aan mij. Want dit alleen heb ik nodig: dat jij de woorden zult horen die ik spreek en ze aan de wereld geeft. Jij bent mijn stem, mijn ogen, mijn voeten, mijn handen, waarmee ik de wereld verlos. (Wd1. Herh. V.9:1-3)

Nog een andere verwijzing vind je in de laatste alinea van de samenvatting ‘Wat is de wederkomst?’ in deel 2 van het werkboek, waar de wederkomst het onderwerp vormt:

Bid dat de Wederkomst spoedig mag zijn, maar laat het daar niet bij. Ze heeft jouw ogen en oren en handen en voeten nodig. Ze heeft jouw stem nodig. En bovenal behoeft ze jouw bereidwilligheid. (Wd2. 9. 5:1-4)

De wederkomst is de term die de Cursus gebruikt voor het einde van de Verzoening, het uiteindelijke ontwaken van de Zoon waarin het verdeelde Zoonschap herenigd wordt. De passages maken het duidelijk dat de wederkomst (of de Heilige Geest) niet alleen ons lichaam nodig heeft, maar ook onze bereidwilligheid die een weerspiegeling vormt van de verschuiving, in de denkgeest, van de identificatie met het ego naar de identificatie met de Heilige Geest.
Je vindt in de Cursus veel verwijzingen van deze aard terug. We moeten begrijpen dat Jezus niets tegen het lichaam heeft en ook al zegt hij ons dat er geen wereld is, slechts een geloof in een wereld, hij veroordeelt haar niet. Hij maakt gebruik van de wereld omdat wij in geloven dat er een wereld bestaat en verschuift het doel ervan naar een leerschool die hij gebruikt om zijn boodschap te verkondigen.

Hij had bijvoorbeeld ook het lichaam van Helen nodig om deze boodschap vorm te kunnen geven. Hij had de keuze van haar denkgeest nodig zodat zijn liefde via haar lichaam kon stromen en zij zijn woorden kon neerschrijven. De bron of de inhoud van de Cursus is abstract. De woorden geven er vorm aan.

Wat Helen heilig maakte was niet dat zij Een Cursus in Wonderen heeft neergeschreven, maar dat zij  bereid was om zich met Jezus te verbinden. Diezelfde heiligheid is in iedereen. Daarom is het ook zo dat wanneer men zou proberen Helen op een troon te zetten omdat zij dit ‘heilige werk’ heeft gedaan, zij duidelijk tegen iedereen zou zeggen dat zij precies hetzelfde kunnen doen.

Deze gedachte van bereidwilligheid is een belangrijk thema in de Cursus, vooral in de tekst waar staat ‘een klein beetje bereidwilligheid’ (T. 18. IV). We hebben dat klein beetje bereidwilligheid nodig om de hand van het ego los te laten om in plaats hiervan de hand van Jezus te nemen. Dit wil zeggen: kijken naar ons ego en het niet serieus nemen. Door dit laatste te doen identificeren we ons uitsluitend met de Liefde van God waarvan we weten dat we die Liefde zijn. Op die manier zal die Liefde automatisch via ons komen en zich in de wereld manifesteren.

De wereld en haar beelden zijn niets meer dan een projectie of een uitbreiding van wat in onze denkgeest is. Wanneer het een gedachte van liefde is die in onze denkgeest is dan zal alles wat we doen en zeggen een manifestatie zijn van die liefde.

Zoals eerder reeds opgemerkt is dit waarom Jezus de manifestatie is van de Heilige Geest (VvT. 6.1:1). Wanneer hij hier op de aarde was, was hij zoals iedereen in een lichaam. Wat echter via hem kwam en via zijn lichaam weerspiegeld werd was de stralende liefde van de Hemel. Dit is het wat hem anders maakte. Zijn denkgeest was volledig een met de Liefde van Christus en dus alles wat hij zei en deed weerspiegelde dit. De Heilige Geest maakte gebruik van de stem van Jezus, van zijn ogen, oren handen en voeten waardoor hij Zijn boodschap kon geven. De boodschap vandaag van Jezus is precies dezelfde en dus vraagt hij in de Cursus om zijn manifestatie te zijn. Gezien hij niet langer in een lichaam is en dus geen woorden spreekt heeft hij onze lichamen nodig – stemmen en woorden – waardoor zijn boodschap van de Liefde van God kan overgebracht worden, het Verzoeningsprincipe dat zegt dat de afscheiding van God nooit is gebeurd en dat we dus niet afgescheiden zijn van elkaar.

Zoals ik reeds zei zijn vele studenten gevoelig om de fout te maken dat zij zich identificeren met de vorm: ‘Ik wil een heilig iemand zijn. Wat van jou een leraar van de Cursus maakt is niet dat je kan herhalen wat hij zegt door gewoon een aantal concepten te herhalen, maar de liefde waarmee je onderwijst. Het is duidelijk dat jij dan niet de leraar bent omdat het de liefde van Jezus is die via jou onderwezen wordt. Het idee is dat we niet ingenomen worden door de vorm, maar dat we ons zo veel mogelijk identificeren met de liefde die onze ware identiteit is. Want nogmaals het is de aanvaarding van deze liefde die van ons een leraar van God maakt. 

(wordt vervolgd)

maandag 27 november 2017

Dag 26 van de reis door het werkboek van Een Cursus in Wonderen

Een leraar van God zijn

Ook al komt de term ‘leraar van God’ niet voor in het Werkboek toch heeft Jezus het hier onder andere over in les 153 tot 157, maar ook bijvoorbeeld in les 37. Ook zijn er verschillende plaatsen in de tekst met dezelfde gedachte met betrekking tot het wonder, vergeving en verlossing (T. 16. II.1; T. 22. VI. 9; T. 27. V.1). Jezus leert dat het onze functie is te kiezen voor het wonder of voor vergeving terwijl de uitbreiding ervan niet onder onze bevoegdheid ligt.

Het enige wat we hier in deze wereld moeten doen is eenvoudig dat we de Verzoening aanvaarden voor onszelf, wat inhoudt dat we leren kiezen tussen het wonder en de grief, tussen vergeving en aanval. Eens we de juist gerichte keuze gemaakt hebben - wat we telkens doen wanneer we zonder oordeel naar onze egogedachten kijken – wordt liefde automatisch uitgebreid en weerspiegeld. Het maakt niet uit of men les geeft in of een boek schrijft over Een Cursus in Wonderen of men stratenmaker is, psychotherapeut, aan het hoofd staat van een familie of van een school of loodgieterswerk doet. Wat men ook doet wordt automatisch het instrument waardoor de liefde van Jezus - die in onze denkgeest is - kan stromen. Het is deze liefde die geneest, niet de vorm waarin die liefde uitgedrukt wordt.


Onze focus moet dus niet liggen op wat we met de vorm doen, maar enkel dat we ruimte maken voor de waarheid. Op het einde van het werkboek zegt Jezus ons: ‘Wij bekommeren ons enkel om het verwelkomen van de waarheid.’ (Wd2. 14.3:7)

Het is onze taak om de waarheid te kennen en niet om haar te onderwijzen of uit te breiden. En we leren de waarheid kennen door in onze denkgeest ruimte te maken door onze schuld los te laten wanneer we vergeven. Dit stelt de waarheid in staat zich op een natuurlijke manier via ons uit te breiden. Daarom zei Jezus ook tegen Helen: ‘Vraag mij niet welk wonder je zou moeten uitvoeren.’ Met andere woorden doe geen dingen op jezelf. Je moet niet een weldoener worden. Laat mij de weldoener zijn. Kies enkel voor mij en om bij mij te zijn want dit stelt mijn liefde in staat vrij te komen en jou te begeleiden in wat je moet zeggen en doen om mensen te kunnen helpen. Dit is de betekenis van ‘Stel geen vertrouwen in je goede bedoelingen. Ze voldoen niet.’ (T. 18. IV. 2:1-2).


Dit is een cursus in het bewust worden hoe boosaardig onze intenties meestal zijn, doch van zodra we er naar kijken met de liefde van Jezus naast ons verdwijnen ze en wordt zijn liefde in staat gesteld om vol vreugde door ons heen te stromen.

(wordt vervolgd)

zaterdag 25 november 2017

Dag 25 van de reis door het werkboek van Een Cursus in Wonderen

Herhaling III – Inleiding

Ik wil nu graag een deel voorlezen uit de inleiding van herhaling III, meer bepaald alinea’s 2 en 3 omdat zij sommige van de ideeën die we besproken hebben, weerspiegelen:”

Natuurlijk begrijpen we dat het voor jou onmogelijk zou kunnen zijn om wat hier als optimaal wordt aangegeven, elke dag en elk uur van de dag te doen. Je wordt niet in je leerproces belemmerd wanneer je een oefenperiode mist omdat die op de aangewezen tijd onmogelijk blijkt. Het is evenmin nodig dat je jezelf in allerlei bochten wringt om je achterstand in aantal weer in te halen. Rituelen zijn ons doel niet, ze zouden onze bedoeling doorkruisen.
Maar je leerproces wordt wel belemmerd wanneer jij een oefenperiode overslaat omdat je onwillig bent er de tijd aan te besteden die je gevraagd wordt ervoor uit te trekken. Houd jezelf hierin niet voor de gek. Onwil kan zich heel listig verborgen houden achter een dekmantel van situaties die je niet in de hand hebt. Leer onderscheid te maken tussen situaties die voor jouw oefening weinig geschikt zijn en situaties die jij in het leven roept als camouflage voor je onwil. (Wd1. Herh. III.2; 3)

Jezus zegt ons hier opnieuw dat hij weet dat we niet in staat zijn om precies datgene te doen wat hij zegt. Het zou kunnen zijn dat men voor een jaar lang familie en baan achter zich laat zodat de oefenperiodes niet gestoord worden door wereldse en onbenullige dingen waar men elke dag mee te maken krijgt en daardoor denken dat men zo het werkboek op een perfecte manier kan doorwerken. Wat men hierbij echter vergeet is dat het dagelijkse leven en de verantwoordelijkheden de perfecte plek is, de volmaakte leerschool waarin de dagelijkse vergevingslessen beoefend kunnen worden.

Het is belangrijk in gedachten te houden dat Jezus absoluut geen interesse heeft in cijfers; hij telt niet op hoeveel keren we tekortschieten in ons oefenen. Ook is het niet nodig om speciale tijdstippen vast te zetten om het werkboek te doen of te zorgen voor een speciale omgeving. Herinner je onze eerdere besprekingen dat dit geen cursus is in het traditionele mediteren. We worden zelfs niet gevraagd onze aandacht op God te richten. We worden eerder gevraagd om te leren hoe we de hele tijd aan God kunnen denken, wat inhoudt dat we ons ten diepste bewust worden over hoe weinig we maar aan Hem denken of zelfs maar willen aan denken. Het is nodig dat we ons bewust worden van deze storingen en dit niet te veroordelen. Dit wordt dan het begin van het wegvallen van oordelen.

Jaren geleden werkte ik met kloosterzusters die elke dag op regelmatige tijdstippen gebedstijd hadden. En het gebeurde dat er dagen waren dat er omwille van verantwoordelijkheden of dringende zaken zij hier niet konden aan voldoen. Ze vertelden mij dat ze vlak voor het slapen gaan al de gemiste gebedsmomenten probeerden in te halen. Wel dit is nu waar Jezus het over heeft behalve dat hij het niet heeft over gebedsgetrouwe nonnen. Hij sluit hen zeker ook niet uit want het is inderdaad zo dat sommige van zijn beste vrienden nonnen zijn en zelfs ex-nonnen! Wat hij bedoelt is dat we niet moeten inhalen waar we niet aan toe zijn gekomen alsof hij boven in de Hemel op de uitkijk staat met een scorebord bij de hand. Hij vraagt ons alleen maar dat we eerlijk zouden zijn met onszelf waarbij zijn oproep uit de tekst weergalmt: ‘Wees heel eerlijk met jezelf … wij mogen niets voor elkaar te verbergen hebben.’ (T4. III. 8:2)

Bovendien vraagt hij ook om eerlijk te zijn tegenover hem: ‘Laat je niet misleiden door het feit dat je vaak een oefenperiode overslaat, niet omdat je iets dringends moest doen die je tijd een aandacht opeist, maar omdat je er geen zin in had om tijd met mij door te brengen. Wees hierin eerlijk tegenover jezelf. Want natuurlijk wil je met mij geen tijd doorbrengen omdat dit jouw ego zou buitensluiten. En gezien ik dit niet persoonlijk opneem en er ook niet over oordeel, zou jij dat ook niet moeten doen.’ We moeten leren onderscheid te maken of we de lessen werkelijk niet kunnen doen of dat we ze gewoon niet willen doen en alleen maar doen alsof we het niet kunnen. De bedoeling is om deze instructies algemeen te maken voor alle oefenperioden.

Nog een reden waarom het behulpzaam is voor ons om werkelijk te aanvaarden dat Jezus en de Heilige Geest geen dingen doen in de wereld, noch dat Zij enige interesse hebben in wat er in de wereld omgaat. Betrokken raken bij de wereld zou betekenen dat de wereld werkelijk wordt gemaakt en zou ook verwarring geven tussen vorm en inhoud. Hun enige zorg is onze keuze om ons te identificeren met de liefde die in onze denkgeest is. Wanneer we zonder oordeel kunnen kijken naar hoeveel we ons geïdentificeerd hebben met de schuld, angst en aanvalsgedachten in onze denkgeest, dan kan en zal dit verdwijnen. Wat dan overblijft is de liefde die op eigen kracht door ons heen stroomt. Dat is wat het betekent om een leraar van God te zijn en wat ons naar het laatste thema brengt voor deze voorbespreking van het werkboek.

(wordt vervolgd)