vrijdag 9 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 18 - Vergeving - deel 2





Dit is deel 2 van de tweedelige reeks over vergeving. In het eerste deel heb ik gesproken over wat vergeving niet is: de ego-versie van vergeving die de vergissing van de afscheiding en de zonde werkelijk maakt en vervolgens beweert dat dit vergeven moet worden.
Deze morgen heb ik het over wat vergeving wel is.

Waarschijnlijk één van de meest bekende regels uit de Cursus, of gedachte van de Cursus, is dat vergeving iemand vergeeft voor wat hij of zij niet gedaan hebben en niet voor wat ze gedaan hebben.  Vergeving (h)erkent dus dat wat wij denken dat gebeurd is, helemaal niet heeft plaatsgevonden. (Wd2.1.1:1).

Dit dient niet begrepen te worden vanuit het standpunt van het lichaam of vanuit het standpunt van de wereld, want het is wel duidelijk dat mensen elkaar aanvallen en nadelige dingen doen tegen elkaar.

Dit is enkel waar en te begrijpen vanuit het standpunt van de denkgeest, omdat de werkelijke betekenis van vergeving is dat het niet uitmaakt wat jij mogelijk wel of niet gedaan hebt, wat jij tegen mij of tegen iemand anders of een groep waarmee ik mij identificeer, wel of niet gezegd heb. Het heeft geen enkel gevolg voor de vrede van God of de Liefde van God die in mijn denkgeest is.

Lichamen hebben duidelijk invloed op andere lichamen. Er is een regel in de tekst die zegt: ‘Zijn gedachten gevaarlijk?’ En het antwoord is: ‘Voor lichamen wel!.’ (T21.VIII.1:1-2) Gedachten die zich manifesteren tot lichamen. De Cursus zegt ons dat al het denken op één of andere manier vorm voortbrengt, dat gedachten dus wel degelijk invloed hebben op andere lichamen.
Onze handelingen, die voortkomen uit gedachten, kunnen andere lichamen raken en gevolgen hebben in de wereld. Maar wat heeft dat te maken met mij wanneer ik weet dat ik geest ben en dat ik een denkgeest ben betekent dat ik een dromer ben waarvan het bestaan (het zijn) zich buiten de droom bevindt.
Met andere woorden ik ben niet de figuur in de droom. Ik ben deze persoon niet. Ik ben niet dit lichaam. Ik ben denkgeest.
En op het niveau van de denkgeest is er niemand, ook Jezus niet, noch de Heilige Geest of God Zelf die de macht heeft om die liefde en vrede, die binnen in mij is, aan te tasten. In die zin ben ik, zoals de Cursus het stelt, de heerser over het universum (Wd1.70.2:3). Niemand, maar dan ook niemand kan die liefde of die vrede van mij afnemen.

Wanneer ik boos op je word, wanneer ik jou bekritiseer, wanneer ik grieven heb tegenover jou, wanneer ik jou zeg dat wat jij gedaan hebt niet vergeven kan worden, dan zeg ik hiermee dat jij een onvergeeflijke zonde hebt begaan en omwille hiervan zal ik nooit meer deze liefde en deze vrede kunnen voelen.
En dat is een leugen. Dat is wat het ego wil dat we geloven. Dat is hetgene wat de wereld, die wij gemaakt hebben, wil dat we geloven en wat de wereld ondersteunt. Dit is echter een flagrante leugen. Je kan wel degelijk mijn lichaam geraakt hebben, mijn familie, mijn vaderland, maar je hebt niet geraakt aan mijn denkgeest.

Ware vergeving is dus niet mogelijk zolang ik mij identificeer met een lichaam. Dit kan enkel gebeuren wanneer we teruggaan naar onze keuzemakende denkgeest. We kiezen voor onze juist gerichte leraar, met name Jezus of de Heilige Geest, in plaats van het ego en kijken naar de wereld en de individuen in de wereld en onze speciale relaties, door hun ogen. Dit zijn de ogen waar de Cursus naar verwijst als de visie van Christus die iedereen als gelijke ziet.
Jouw lichaam kan dan wel verschillend zijn van dat van mij. Je religie, je huidskleur, je nationaliteit, je politieke overtuiging kunnen allemaal verschillend zijn van die van mij. Je kan van het andere geslacht zijn dan ik ben, je seksuele voorkeur kan anders zijn dan de mijne, maar op het niveau van de denkgeest zijn jij en ik hetzelfde.
Jij hebt hetzelfde ego als ik heb. Jij hebt dezelfde Heilige Geest als ik heb. En je hebt dezelfde kracht om tussen hen te kiezen zoals ik die heb. Dat is het feit. En het enige.
En we kunnen zelfs zeggen dat dit het enige feit is dat we kunnen benoemen of, in deze illusionaire wereld, kunnen aangeven: het feit dat we allemaal hetzelfde zijn.

Dit is de tegenhanger of de weerspiegeling van de werkelijke waarheid, zoals men zou kunnen stellen, de werkelijke waarheid dat we één zijn. Er is maar één Zoon van God die deel uitmaakt van de ene God.
Die volmaakte Eenheid kan hier (in deze wereld) niet uitgedrukt worden, maar wel weerspiegeld worden in de gedachte dat we hetzelfde zijn.
Dit vormt de basis voor de ware vergeving als tegenstelling voor de vergeving-ter-vernietiging.

Kort samengevat dus, de versie van vergeving van het ego is om af te scheiden.
De vergeving van de Heilige Geest herinnert ons eraan dat wij gelijk zijn en het maakt niet uit wat er gezegd werd of gedaan werd, het kan het simpele feit dat we deel van Gods enige Zoon zijn, één denkgeest, één gespleten denkgeest, één onjuist gericht denken, één juist gericht denken, één keuzemakende denkgeest, niet aantasten.

Omwille hiervan vergeven we elkaar voor wat we niet gedaan hebben en niet voor wat we gedaan hebben. Er is nooit iets tussen ons en de Liefde van God gekomen. Niets heeft ons ooit van die liefde, die in ieder van ons aanwezig is, afgescheiden.
Nogmaals, zonder dit bewustzijn is vergeving niet mogelijk.

donderdag 8 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 17 – Vergeving - deel 1 (vergeving-ter-vernietiging)




Deze morgen hebben we het over vergeving en ik verdeel mijn toelichting in twee delen. Het eerste deel gaat over ‘vergeving-ter-vernietiging’, komt voor in het pamflet ‘Het Lied van het Gebed’ en behandelt wat vergeving niet is en in een volgende opname zal ik het hebben over wat vergeving dan wel is.

Ook al komt de term ‘vergeving-ter-vernietiging’ niet voor in de Cursus zelf toch wordt er over gesproken, zowel in het tekstboek als in het werkboek. Maar in het pamflet ‘Het Lied van het Gebed’ wordt de term wel gebruikt en vormt zelfs de titel van een hoofdstuk.

Vergeving-ter-vernietiging is de vertaling, door het ego, wat vergeving is en heeft allemaal te maken met het werkelijk maken van de vergissing van de afscheiding. Wat we dus werkelijk doen wanneer we iemand vergeven, gezien vanuit het standpunt van het ego, is het feit benadrukken en versterken dat ik en de andere persoon verschillend en afgescheiden zijn van elkaar. Dit neemt dus de vorm aan, zoals je vaak terug vindt in het traditionele christendom, dat jij de ellendige zondaar bent, maar omdat ik goed van hart ben en dus mijn goedhartigheid laat spreken, ik jou vergeef. Ik ben verschillend van jou. Ik ben heiliger dan jou, maar ik beschik over de macht om jou te vergeven. In de katholieke kerk heb je zelfs het sacrament van boete of de biecht waarbij men zich tot een priester wendt die de macht heeft om te vergeven, maar met een duidelijke afbakening van deze functie. Je hebt de priester, die de door God of door Jezus gekozen boodschapper is of de plaatsvervanger van Hen, en je hebt de arme berouwvolle zondaar.

Nogmaals, wat dit alles doet is alleen maar het versterken van de fundamentele gedachte van het ego dat we afgescheiden en verschillend zijn van de ander. Dit is geen ware vergeving want het maakt de vergissing niet ongedaan.

En, zoals ik al zei, het maakt alleen de afscheiding nog meer waar en versterkt op die manier de schuld. Degene die dus zegt dat hij of zij vergeven is bekrachtigt dus alleen maar de oorspronkelijke vergissing van het werkelijk maken van de afscheiding en de verschillen. En gezien dit is wat het ego benoemt als zonde, en wat ironisch genoeg niet bedoeld is om vergeven te worden, wordt de gedachte aan zonde en degene die vergeeft werkelijk gemaakt, wat automatisch leidt tot schuld, waardoor schuld onderdrukt en geprojecteerd moet worden wat betekent dat, onder het mom van vergeving, we simpel verder blijven aanvallen.

Het is dit waar de Cursus naar verwijst als ‘de schuld/aanval-cyclus’ en omschrijft dat hoe schuldiger ik mij voel, hoe groter mijn behoefte om te projecteren wordt en, om er op een ziekelijke of een magische manier van af te geraken, jou aan te wijzen als de schuldige wat dus een aanval vormt die op zijn beurt de eigen schuld weer versterkt. En zo blijven we maar ronddraaien in een vicieuze cirkel. Dit is dus vergeving-ter-vernietiging. Om in andere woorden te zeggen wat vergeving-ter-vernietiging is, is dat het eerst zonde werkelijk maakt en dan doet alsof het de zonde vergeeft.

Maar hoe kan je iets wat je eerst werkelijk hebt gemaakt en aangeduid hebt als zijnde gebeurd, vergeven? Dit is het soort vergeving die door het ego goedgekeurd wordt en als een zegen wordt gezien in deze wereld. Het is ook dit wat de Anti-Laster-Liga placht te zeggen over de holocaust: dat we zullen vergeven, maar niet vergeten. Met andere woorden de slechte jongens, de Nazi’s en alle mensen die hen ondersteunen hebben een verschrikkelijk, gewetenloos iets gedaan en wij zullen ze hiervoor vergeven, maar we zullen nooit vergeten wat ze gedaan hebben. Opgegroeid in een Joods huishouden kan ik mij dit nog goed herinneren. Het was de strijdkreet van alle Joden. Dit is geen ware vergeving. Want, nogmaals, het enige wat het doet is de schuld versterken. En wanneer er sprake is van schuld, dan zal deze schuld altijd geprojecteerd worden en zal je anderen aandoen waarvan je gelooft dat het jou werd aangedaan. Dit is zowel op grote schaal waar als op individueel vlak. Vergeving-ter-vernietiging past dus perfect in het denksysteem van het ego.

In de tekst is er een regel die zegt: ‘verdedigingen zijn een verdediging van datgene wat verdedigt moet worden’ (T20.III.1). Een verdediging die verondersteld wordt ons te beschermen, in dit geval van de schuld, versterkt deze. En dus, nogmaals, we draaien allemaal, zowel op individueel als op collectief vlak, als ras, politieke, nationale, religieuze groep, rond in dezelfde vicieuze cirkel die het denksysteem van het ego werkelijk maakt en dan probeert de ontsnappen aan de verschrikkelijke gevolgen ervan, wat onze eigen straf betekent, door iemand anders te vinden die we als zondaar kunnen bestempelen.

En wanneer we dit binnen een spirituele of religieuze context willen doen dan lijkt het erop dat wij de goede jongens zijn en de andere de slechteriken. En dit zal natuurlijk nooit werken, behalve dan gezien vanuit het standpunt  van het ego.

woensdag 7 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 16. Het ego




Deze morgen bespreken we het ego. Er is in de Cursus waarschijnlijk geen ander woord dat meer dan het woord God, lijkt voort te komen. Het ego in de Cursus vertegenwoordigt niet het ego van de psychoanalyse (*) die in deze analyse slechts één deel uitmaakt van de driedelige beoordeling van de geest, maar het ego wordt eerder gebruikt volgens de Oosterse betekenis, zijnde de vertegenwoordiging van het valse zelf. Het ego is het zelf waarvan wij geloven dat het afgescheiden is van onze Bron. Het is een zelf waarvan wij geloven dat het onafhankelijk bestaat van God, het is autonoom, uniek, speciaal, op zichzelf en het heeft zijn eigen bestaan. Het ego is schepper van zichzelf. De Cursus spreekt over het geloof van het ego dat het zelfscheppend is in plaats van Godgeschapen en uiteraard, wanneer de Cursus het heeft over het ego dan wordt de onjuiste schepping bedoeld.

Het ego is het onware zelf waarvan wij geloven waarvan wij geloven dat we het gestolen hebben van de Hemel en waarvan we nu aantonen dat dit het tegenovergestelde is van ons ware Zelf, met hoofletter geschreven, het Zelf dat door God werd geschapen. Maar het belangrijkste bij het overdenken van het ego is te erkennen dat het ego van nature niets is.

Gezien de afscheiding van God nooit heeft plaatsgevonden, waar de Cursus naar verwijst als het Verzoeningsprincipe, gezien de afscheiding van God dus niet heeft plaatsgevonden kan er ook geen afgescheiden Zelf zijn. Wanneer er geen afgescheiden Zelf kan zijn, kan er ook geen ego zijn.

Wat is het ego dan wel? Het ego is niets meer of minder dan het geloof van de Zoon van God, een geloof dat hij afgescheiden is. Hij is niet afgescheiden, maar in zijn droom, binnen de illusie, is hij vrij alles te geloven waar hij voor kiest. Daarom is het probleem niet het ego. Het probleem is niet het denksysteem van het ego van afscheiding, schuld, zonde, angst, aanval, lijden en dood. Het probleem is niet de wereld die voortgekomen is uit het ego, de wereld die ‘het waansysteem geworden is van hen die gek geworden zijn van schuld’ en de schuld die het eten en drinken vormt van het ego. En, even terzijde, schuld die zegt dat wij gezondigd hebben, zonde die zegt dat wij ins afgescheiden hebben van God en daardoor de werkelijkheid van het ego. Schuld is dus één van de hoekstenen van het denksysteem van het ego die het geloof, dat er inderdaad een ego is, in stand houdt. Dat er inderdaad een afgescheiden zelf is: zondig, schuldig en bang voor de straf van God en dus de behoefte heeft om zichzelf te beschermen en dit doet door het denksysteem naar buiten te projecteren en hierdoor een wereld en een lichaam heeft gemaakt.

Maar dit alles is slechts een camouflage. Wat, nogmaals, betekent dat het probleem niet het denksysteem van het ego is, het probleem is niet het afgescheiden zelf, het probleem is niet de wereld die eruit is voortgekomen. Het probleem is het geloof van de Zoon van God dat er een ego is. En wanneer we op deze manier spreken (over de Zoon van God) dan hebben we het over het keuzemakende gedeelte in de denkgeest.

De Cursus zelf gebruikt nooit het woord ‘keuzemaker’, behalve van in één verwijzing in het Handboek voor Leraren waar Jezus zegt dat het lichaam niet de keuzemaker is, maar doorheen de hele Cursus doet Jezus een beroep op de kracht van ons denken, de mogelijkheid een keuze te maken, om deze kracht te gebruiken. Telkens en telkens weer wordt ons gezegd dat we moeten kiezen tussen het denksysteem van Jezus en dat van het ego, tussen God en het ego, tussen de kruisiging en de opstanding, tussen verlossing en verdoemenis.

Waar Jezus dus in Een Cursus in Wonderen een beroep op doet is dit keuzemakende deel in de denkgeest dat kiest tussen deze twee elkaar uitsluitende denksystemen. Het probleem zit dus niet in de keuze die de keuzemaker maakt, maar zit in de keuze die de keuzemaker gemaakt heeft. En dit onderscheid is enorm belangrijk want het verschuift de klemtoon, die gelegd wordt op de wereld, naar de denkgeest, naar de keuzemaker want daar zit de bron van het probleem en daar is (ook) de bron voor de oplossing

In de lessen 79 en 80 heeft Jezus het over het enige probleem en de enige oplossing. Het enige probleem: de afscheiding; de enige oplossing: de Verzoening.

We kunnen dit verder verduidelijken door te zeggen dat het enige probleem dat er is is de keuze van de denkgeest voor het ego en de enige oplossing hiervoor is de keuze van de denkgeest voor de Heilige Geest. Er is niets anders.

Het doel dus, de focus van Een Cursus in Wonderen is om de focus die op de wereld ligt te verplaatsen naar de keuzemakende denkgeest die de verkeerde keuze heeft gemaakt, die voor de verkeerde leraar heeft gekozen. Dit wil dus zeggen dat we niet moeten vechten tegen het ego, dat we niet moeten worstelen met het ego, we begaan geen zonde (de Cursus benoemd het zeker niet als zijnde een zonde , maar het is wel de meest flagrante vergissing van alle) wanneer we die vergissing werkelijk maken.

Wanneer we tegen het ego vechten, wanneer we denken dat het ego een probleem is, wanneer we er tegenstand tegen bieden, wanneer we het onder controle houden, wanneer we het ontkennen, wanneer we het projecteren, dan zeggen we eenvoudig dat er wel degelijk een ego is. En dat is het probleem en het is dit probleem dat aangepakt moet worden. Want het is precies dat wat ons ego, ons valse zelf, geweldig vindt, want dat maakt het werkelijk en op die manier kan het nooit ongedaan worden gemaakt.

De enige manier waarop het ego ongedaan kan gemaakt worden is door te (h)erkennen dat er geen ego is, dat er enkel een denksysteem van het ego is en door dit denksysteem te veranderen en te corrigeren vinden we ware verlossing en redding.

 

(*)de manier waarop Freud de werking van de menselijke geest beschreef. Freud bedacht dat de menselijke geest uit 3 delen bestond, met name het ‘id’, het ‘ego’ en het ‘superego’ – meer uitleg over de driedelige visie van de werking van de geest kan je vinden op: http://droominfo.nl/artikelen/hoofdstuk/3/)

dinsdag 6 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 15. Ik hoef niets te doen



 
In Een Cursus in Wonderen maakt Jezus duidelijk dat wat we doen in de wereld niet hetgene is dat belangrijk is. Belangrijk is hoe we het doen of beter nog met wie we het doen: of we het doen met het ego of met hem of de Heilige Geest.
We geloven echter allemaal dat we een lichaam zijn (we zouden hier anders niet zijn). Het is duidelijk dat onze ervaring hier de ervaring van het lichaam is, in relatie tot andere lichamen, we hebben allemaal lichamelijke behoeften, zowel fysieke als psychische, en we hebben een bestaan in de wereld waarin we dingen moeten ondernemen.
Nochtans is ons werk met de Cursus niet bedoeld om duidelijk te maken wat we doen, maar eerder wat de keuze, in onze denkgeest, is. In de zin van welke leraar we zullen kiezen en met welk denksysteem wij ons willen identificeren. En naargelang het denksysteem waarmee we ons identificeren zal dat waarvoor we gekozen hebben zich via ons uitbreiden en het is dit wat zich in de wereld zal openbaren.
In de tekst is er een gedeelte dat heet ‘Ik hoef niets te doen’ (T18.VII)  dat oorspronkelijk bedoeld was voor Helen in een periode waarbij zij betrokken was om een beslissing in deze wereld te nemen. En de kern van deze boodschap ‘ik hoef niets te doen’ is  dat we het probleem niet moeten zien in de wereld en er nodig iets moeten aan doen, maar dat we ons er bewust van worden dat het enige echte probleem in onze denkgeest is en dat het daar is dat we er iets moeten aan doen door opnieuw te kiezen.
De regel ‘ik hoef niets te doen’ kan je ook vertalen als ‘ik hoef niets alleen te doen’, namelijk dat wat ik doe, ik niet moet doen met mijn ego (wat de betekenis is van iets alleen doen), maar dat we het eerder doen met Jezus als onze leraar. En wanneer hij ons begeleidt is datgene waarin hij ons leidt het leren te vergeven en te zien dat in essentie iedereen hetzelfde belang deelt in plaats van verdeelde belangen die ons van elkaar afzonderen.
Dus wat dit voor ons in ons leven betekent is dat het vanzelfsprekend is dat we dingen moeten doen in deze wereld, maar dat we ze zullen doen met een andere leraar. Dit zal ons helpen een houding aan te nemen die enerzijds normaal is in deze wereld, namelijk dat we zoals les 155 zegt, zijn zoals iedereen, we kleden ons net zoals iedereen, we spreken zoals iedereen, we eten op een zelfde manier, we hebben seks zoals iedereen, we vergaren geld zoals iedereen en er is hier niets goed of slechts aan. Wat, nogmaals, wel belangrijk is, is, zoals de les zegt: ‘je voorhoofd zal sereen zijn en je zal vaker glimlachen’, dat alles wat we doen, we doen vanuit een vrede.
Dit wil dus niet zeggen dat we onze rug toekeren naar de wereld. Het betekent niet dat we ontslag zouden moeten nemen of onze families moeten verlaten omdat, uiteindelijk, alles hier toch maar een illusie is en we niet willen toegeven aan speciale relaties. Dan missen we het doel.
Het probleem is niet wat we in deze wereld doen. Het probleem is niet wat er verkeerd gaat in onze relaties, van persoon tot persoon of van lichaam tot lichaam. Nogmaals, het probleem is of we handelen onder de auspiciën van schuld of doen we het onder de bescherming van de vergeving.
De focus in de Cursus ligt dus nooit op wat we doen, maar, nogmaals, met wie we het doen.
We leven dus zoals iedereen. We doen normaal. We doen wat iedereen doet in de wereld, maar we doen het op een andere manier. Nogmaals, we glimlachen vaker en onze voorhoofden zijn sereen.
En dat is de manier waarop we zowel leren wat de Cursus bedoelt, door onze focus te verleggen van het lichaam naar de denkgeest, en we onderwijzen tegelijkertijd omdat, door te denken vanuit ons juist gerichte denken, we tegen iedereen zeggen dat waar wij mee in contact komen, dezelfde juist gerichte keuze die ik gemaakt heb kan jij ook maken want we zijn hetzelfde. Jij kan er ook voor kiezen om vrede te zien in plaats van dit. Jij ook kan kiezen voor een wonder in plaats van voor een grief, Jij kan er ook voor kiezen niet aan te vallen, niet het accent te leggen op de verschillen, je niet over te geven aan onze speciaalheid dat ons afgescheiden houdt van elkaar, maar in plaats hiervan kunnen we ervoor kiezen iedereen als gelijk te zien.
Dus nogmaals, ik benadruk hier dat we als studenten van Een Cursus in Wonderen niet moeten ophouden met normaal doen. Het betekent niet dat, omdat we gevraagd hebben de toekomst in de handen van God te leggen zoals les 194 het zegt, dat we onze verzekeringen moeten opzeggen. Dat heeft geen zin wanneer je in een wereld leeft waarin je een zekere vorm van zekerheid nodig hebt. Het betekent ook niet dat jij je auto niet op slot zou moeten doen wanneer je hem op straat parkeert en zo uitnodigt dat hij gestolen wordt. Dat is niet behulpzaam voor jou en ook niet voor degene die jouw auto steelt. Het betekent dat je doet wat iedereen doet, maar je doet het op een andere manier en je dient een ander doel.
In plaats van het doel te dienen dat ons hier in de droom blijft vasthouden dient het doel nu om uit de droom te ontwaken.
Wat ons hier houdt is de afscheiding die de wereld werkelijk maakt. Wat ons helpt om deze wereld te verlaten, of het denksysteem te verlaten die deze wereld gemaakt heeft, is door te herkennen dat niets in deze wereld de macht heeft om de liefde en de vrede van God van ons af te nemen. En die liefde en vrede is in onze denkgeest. Maar aangezien wij het lichaam hebben gemaakt en in deze wereld van lichamen leven wordt de wereld nu een leerschool waarin we onderwezen kunnen worden om naar de denkgeest terug te keren en opnieuw te kiezen.

 
 

maandag 5 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 13. Zelf-sabotage




Deze morgen bespreken we ons zelfdestructief gedrag of zelf-sabotage.
Dit is een kwestie die dierbaar is voor ieders ego omdat dit iets is waar we allemaal aan toegeven. In feite kunnen we bijna zeggen dat het simpele feit van ons geboren zijn het meest zelfdestructieve ding is die we ooit hebben kunnen doen omdat het een poging is om onze ware realiteit als Christus, onze ware identiteit als Geest, te ontkennen en in plaats daarvan een zeer armzalig beeld van ons zelf hebben gemaakt, zwak en kwetsbaar in een lichaam.

Eens we erkennen, tenminste gezien vanuit het standpunt van het ego, dat dit is waarom we in deze wereld zijn gekomen, dan zouden we ook kunnen zien dat alles wat we ooit gedaan hebben, nog steeds doen en blijven doen, zolang we komen uit ons ego, ontworpen is om voortdurend deze oorspronkelijke zelf-sabotage te verstevigen.

Het is een manier om, nogmaals, te bewijzen dat ik een lichaam ben. En niet alleen dat ik een lichaam ben, niet alleen dat ik een lichaam ben dat lijdt, maar dit is niet mijn fout.

Wanneer we dus blijven toegeven aan wat duidelijk zelf-sabotage is, bijv. we hebben telkens weer een ongeluk wanneer we met de auto rijden of we snijden onszelf gedurig aan met een mes wanneer we het eten klaarmaken of we reageren steeds weer op een zodanige manier dat onze baas niet gelukkig is met ons en ons ontslaat. En terwijl we dit maar steeds blijven doen is er, voorbij hieraan, nog steeds de gedachte die zegt: ‘Maar ik heb mijzelf niet zo gemaakt. Ik ben inderdaad een mislukkeling . Het klopt, ik werk niet naar behoren. Zeker, ik ben een vreselijk mens, maar iemand anders heeft mij dit aangedaan. Het is niet mijn fout.’ Het komt door mijn opvoeding. Het zijn mijn ouders. Het is het land, mijn ras, de religieuze groep waarin ik geboren ben. Het zijn mijn genen. Het komt door mijn vorig leven. Het is de kosmos. Het is de stand van de planeten en ze staan nu in het verkeerde huis wanneer het mij gebeurd of wat dan ook, maar het is niet mijn fout.

En zelfs wanneer we onszelf aanvallen in plaats van ons te verheugen op de aanval door iemand anders, het dient nog steeds om het oorspronkelijke idee, het idee dat ik mij afgescheiden heb van Wie ik ben, te verstevigen. Ik heb mij afgescheiden van mijn Bron en daar moet ik nu de prijs voor betalen.

En inderdaad ons hele leven is gesteund op het principe dat we lijden. Of dit lijden nu uit onszelf voorkomt of door iemand anders, het blijft het idee verstevigen dat wij bestaan. En dit is natuurlijk de fundamentele spreuk van het ego: Ik besta. Ik maak geen deel uit van het volmaakte Zijn van God, van Zijn volmaakte Liefde of Zijn Eenheid. Ik besta als een afgescheiden entiteit. En natuurlijk is onze geboorte in een lichaam het positieve bewijs dat wij het onmogelijke voltrokken hebben.

Dus, wanneer we gedurende ons dagelijks leven zien hoe we onszelf pijn aandoen; we nemen voedsel tot ons waarvan we weten dat het ons kan kwetsen, we dragen kleding waarvan we weten dat het niet goed is voor ons, we gedragen ons op een zodanige manier dat de mensen waarvan we houden zich van ons wegduwen of we duwen onze helpers van ons af omdat we dingen doen waarvan we op voorhand al weten dat ze niet goed zijn voor ons, we weten dat wanneer we het werkboek (van de Cursus) trouw doen we ons een stuk beter en gelukkiger zouden voelen.
Maar we doen het niet.

Op welk niveau ook dat we gewaar worden dat de eerste wet van de chaos waar is (de eerste wet: er is geen rangorde in illusies), is er geen rangorde in zelf-sabotage. En voorbij dit alles is die ego-gedachte die zegt dat de manier waarop ik zal blijven bestaan is door aan te tonen dat ik hier ben. Ik ben hier in een lichaam, maar het is niet mijn fout. . Wanneer ik lijd is dat het bewijs dat ik besta.

Les 190 heeft deze regel die zegt: ‘Als God bestaat is er geen pijn, wanneer er pijn is dan is er geen God.’ (Wd1.190.3:3). Dus hoe meer ik kan lijden of ik nu vrolijk lijd door jouw toedoen - en we zijn allemaal vol leedvermaak wanneer we lijden omdat we er dol op zijn slachtoffer te zijn -  of ik lijd vrolijk door mijn eigen toedoen, dan bedoel ik hiermee dat wanneer ik lijd dan is er geen God en wanneer er geen God is dan is er alleen maar mij, dan is er alleen maar het ego. En op die manier, nogmaals, triomferen wij.

Wat dus enorm belangrijk is en bijzonder behulpzaam en een essentieel deel zou moeten uitmaken van de vergeving van onszelf is erkennen dat we een enorme behoefte hebben om onszelf te kwetsen en dat dit niet uitmaakt of mijn lichaam nu lijdt door mijn eigen toedoen of door het toedoen van iemand anders, maar zolang ik kan bewijzen dat er lijden is, dan is er depressie, is er angst, is er schuld, is er fysieke pijn. Zolang dat er is, betekent dit dat, wanneer we het ego principe ‘zolang er pijn is, is er geen God’ volgen, ik besta. Want wanneer het tegenovergestelde waar is, ‘wanneer God bestaat, dan is er geen pijn’ en wanneer ik aanvaard dat ik een kind ben van God, Eén ben met Zijn perfecte Liefde en volmaakte Eenheid, dan kan ik niet lijden.

De manier dus om te bewijzen dat ik besta is door mijzelf te kwetsen en door mezelf voortdurend aan te vallen. Het komt dus allemaal neer op de doelstelling. Wanneer ik het doel begrijp van mijn zelf-saboterend gedrag, van mijn eigen vernielzucht, wanneer ik de bedoeling hiervan zie dan biedt dit mij de mogelijkheid om te zeggen dat ik werkelijk opnieuw kan kiezen.

Dit is niet iets wat mijn slechte genen mij hebben aangedaan. Dit is niet iets wat de wereld mij heeft aangedaan. Dit is iets wat ik zelf heb gedaan en omdat het mijn denkgeest is die hiervoor gekozen heeft, is het ook mijn denkgeest die terug kan keren naar de ware leraar (de Cursus noemt dit de Heilige Geest) en kan zeggen: ‘Alsjeblief, help mij opnieuw te kiezen.’

En van dat moment af zal alle zelf-sabotage stoppen.

zondag 4 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 10. De Heilige Geest





Het thema voor deze ochtend is de ‘Heilige Geest’. Zoals je weet is de Heilige Geest in de Christelijke traditie het derde lid van de Heilige Drie-Eenheid ‘Vader, Zoon en Heilige Geest’ en de Cursus maakt hiervan gebruik door te spreken over God als Vader, Christus als Zijn Zoon en de Heilige Geest als de Stem die spreekt voor God. Maar zoals ons op een aantal plaatsen in de Cursus wordt gezegd is de Heilige Drie-Eenheid zelf een illusie.
Uiteindelijk, zegt de Cursus in hoofdstuk 14.IV.1:7: ‘God is eerst en er bestaat geen tweede’. Er is ook een andere passage die het heeft over hoe Vader, Zoon en Heilige Geest één zijn, maar voor onderwijsdoeleinden heeft  Jezus ze opgesplitst.

Dus om te beginnen moeten we in de eerste plaats herkennen dat de Heilige Geest een illusie is. Doorheen de Cursus wordt Hij aangeduid als onze Leraar en vaak geïdentificeerd met de Correctie. Gezien er in de Hemel niets is dat nood heeft aan correctie, is er ook geen behoefte aan een Heilige Geest.

In feite, op het einde van het Handboek der Leraren in het deel ‘Verklaring der termen, het deel van de Heilige Geest, helemaal in het begin en op het einde (VvT.6)’ zegt Jezus heel duidelijk dat het hebben over de Heilige Geest als zijnde een Stem, en zelfs indirect over de Heilige Geest spreken, een illusie is. Vormloosheid kent geen vorm.
Maar de Heilige Geest kan het best omschreven, gedefinieerd of begrepen worden als de herinnering aan God of de herinnering aan de Liefde van God of de herinnering aan ons ware Zelf dat we met ons meegenomen hebben in de droom op het moment dat we in slaap zijn gevallen.

Maar gezien we in werkelijkheid niet in slaap gevallen zijn, maar, zoals de tekst ons herinnert en zegt: ‘We zijn thuis in God en dromen van ballingschap’ (T10.I.2:1),  is er geen behoefte om een herinnering te hebben. Er is geen behoefte aan een stem die ons herinnert aan wie we zijn terwijl we dromen.
Dus nogmaals, ik leg er de nadruk op dat de Heilige Geest in en van Zichzelf een illusie is.
Hij is duidelijk een bijzonder behulpzaam deel van de illusie, maar in de Hemel is er geen Heilige Geest.

Dus wanneer we in slaap gevallen zijn, of geloofden dat we in slaap gevallen zijn en de afscheidingsdroom begon, was het nodig dat er iets in de droom zou zijn dat ons kon wakker maken, iets binnenin de droom dat ons kan herinneren aan ons ware Zijn in de werkelijkheid. De Heilige Geest is de naam in de Cursus of het symbool dat de Cursus gebruikt voor die herinnering of die gedachte.

De Heilige Geest wordt ook gelijkgesteld met dat wat de Cursus het Verzoeningsprincipe noemt. Het Verzoeningsprincipe is het Antwoord op de gedachte, van het ego, dat de afscheiding werkelijk heeft plaatsgevonden. Het Verzoeningsprincipe zegt ons dat de afscheiding van God nooit heeft plaatsgevonden. 
Het is wanneer het er op leek dat het ‘nietig, dwaas idee’ van afgescheiden te zijn in de denkgeest van de Zoon van God opkwam, dat de Heilige Geest ons antwoordt en zegt: ‘Er is geen nietig, dwaas idee.’ In feite kan er ook geen enkel betekenisvol antwoord gegeven worden op het ‘nietig, dwaas idee’ behalve een vriendelijke glimlach of een vriendelijke lach die ons eraan herinnert dat het onmogelijke nooit is gebeurd.  De Heilige Geest is dus die herinnering of die gedachte.

Een andere manier om te begrijpen wat de Heilige Geest is, is dat de Heilige Geest werkelijk ons Zelf is, ons juist-gerichte Zelf dat lijkt afgescheiden te zijn zolang wij geloven dat we afgescheiden zijn van onze Bron. In die zin speelt de Heilige Geest dezelfde rol als Jezus doet. Jezus is evengoed een symbool. In het Handboek voor Leraren wordt gezegd dat de naam Jezus Christus maar een symbool is. Het is een symbool voor de Liefde van God die niet van deze wereld is. We kunnen dus zeggen dat we van Jezus kunnen spreken als een specifieke manifestatie of een symbool van de meer abstracte of niet specifieke aanwezigheid van die liefde die we de Heilige Geest noemen.

Op het laatst zal de Heilige Geest dus verdwijnen, net zoals op het einde Jezus zal verdwijnen wanneer we de Verzoening voor ons zelf herkend en aanvaard hebben. Herkennen dus dat de afscheiding nooit is gebeurd. Dan worden we zelf de Heilige Geest, dan worden wij Jezus, dan worden wij die Stem.

Er zal niet langer een Stem zijn in ons juist gerichte denken dat apart lijkt te zijn van ons en die inderdaad ons lijkt aan te roepen, ons te herinneren Wie we zijn. Dan zijn wij die Stem geworden en van dat ogenblik af verdwijnt Jezus of de Heilige Geest en wij als een afgescheiden persoonlijkheid, als een afgescheiden lichaam, als een afgescheiden zelf en verdwijnen terug in de Eenheid die ons geschapen heeft en de Eenheid die we nooit verlaten hebben.
Het doel van de Heilige Geest zal dan voltooid zijn. Hij heeft ons herinnerd aan Wie we zijn. Zijn vergevingslessen zullen onderwezen, geleerd en aanvaard zijn en dus is er niet langer behoefte aan Hem of aan dat wat Hij onderwijst. En nogmaals, van dat ogenblik af verdwijnen we allemaal in het Hart van God, die we zijn.

zaterdag 3 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 33 – Nieuwjaarsboodschap



Het einde van hoofdstuk 15 werd opgeschreven door Helen rond oudejaar en het eindigt met wat effectief de oplossing van de Cursus is voor het nieuwe jaar. En terwijl het nu juist kwam op het moment van oud naar nieuw is het een besluit dat we elk jaar en elke dag van het jaar en elk jaar moeten vernieuwen.
Dus bijna op het einde van hoofdstuk 15 zegt Jezus tegen ons: ‘Maak dit jaar anders door alles hetzelfde te maken.’ (T15.XI.10:11) Maak dit jaar anders door alles hetzelfde te maken.

En hiermee bedoelt hij dat we dit jaar anders moeten maken dan al die andere jaren, we moeten deze dag anders maken dan alle andere dagen, we zouden onze relaties die we nu ervaren, anders moeten maken dan al die andere relaties in ons leven door alles wat er gebeurt te zien als hetzelfde.

En het is deze algehele gelijkheid van alle dingen in deze wereld die werkelijk de kern van de vergevingsboodschap van de Cursus raakt. In feite is vergeving niet mogelijk wanneer dit niet herkend wordt. Het is het antwoord van de Cursus op de eerste wet van de chaos in hoofdstuk 23 en die het denksysteem van het ego samenvat: er is een rangorde in illusies, niets hier is hetzelfde, alles is hier verschillend. Sommige dingen zijn beter dan andere, sommige mensen zijn vriendelijker dan andere, sommige mensen zijn zondiger dan andere, sommige mensen zijn heiliger dan andere, enz. enz., terwijl het feit van dit alles is dat wanneer de wereld een illusie is, wat inderdaad de centrale metafysische stelling is van de Cursus, wanneer de wereld een illusie is dan is alles wat hier is precies hetzelfde, het is evenzo een illusie.

Zoals het geschreven is in het begin van hoofdstuk 18 (T18.I.7:6-8:1) in het stuk over veren: laat al onze speciale relaties zijn als veren voor de wind en laat ze vrolijk wegwaaien want ze zijn allemaal hetzelfde. Alles is hier hetzelfde omdat alles hier even onwerkelijk is.

Wat het ego nu echter gedaan heeft is zeggen dat er niet alleen de afscheiding is, maar er is ook verscheidenheid die begint bij het oorspronkelijke geloof dat we anders zijn dan onze Schepper en Bron. En dit dragen we mee in elk aspect van ons leven, we zien verschillen daar waar geen verschillen zijn.

Deze totale waarneming van verschillen is gesteund op het geloof dat het lichaam werkelijk is, want lichamen zijn inderdaad verschillend. Persoonlijkheden zijn verschillend, lichamen zijn verschillend, voorwerpen zijn verschillend. En als we van hieruit gaan veralgemenen zijn situaties verschillend, relaties zijn verschillend, gebeurtenissen zijn verschillend, maar in feite, nogmaals is een illusie een illusie en blijft een illusie. Eén keer nul blijft nul net zoals duizend keer nul, nul blijft

En dus maken we dit jaar anders door alles hetzelfde te maken, nogmaals, als voornemen voor het nieuwe jaar, door te begrijpen dat alles wat hier gebeurt ons dezelfde mogelijkheid biedt. Het biedt ons de gelegenheid om ofwel te kiezen voor de raad van het ego wat iedereen verschillend maakt waardoor sommige aanvallen op andere mensen gerechtvaardigd zijn, in principe het rechtvaardigen van onze speciale liefde- en speciale haatrelaties. Of te kiezen voor de wijsheid van de Heilige Geest, voor Zijn liefdevolle woorden die ons zeggen dat er niets wat van buiten uit komt enig effect op ons kan hebben. En omwille hiervan is alles hetzelfde.

Wanneer er niets uiterlijks enig effect kan hebben op ons, wanneer er niets uiterlijks ons vrede kan bieden, niets uiterlijks ons kan kwetsen, niets uiterlijks kan ons verdrietig maken of gelukkig, dan wordt alles dus hetzelfde.

Wat dus van belang is, het enige criterium dat belangrijk is om te onthouden, is voor welke leraar we in onze denkgeest kiezen. Dat is de sleutel.

Wanneer we Jezus of de Heilige Geest kiezen als onze leraar dan wordt alles in de wereld als hetzelfde waargenomen. Wanneer Zij onze leraar zijn, dan is dit (wat dus is wanneer onze denkgeest voor hen kiest) de heilige relatie waar de Cursus over spreekt. En van zodra wij die relatie in onze denkgeest heilig hebben gemaakt wordt elke relatie heilig. Dat moet wel zo zijn want projectie maakt waarneming. Wat we voor waar aannemen in onze denkgeest en projecteren of uitbreiden zal datgene worden wat we zullen waarnemen en wanneer we met de perceptie beginnen dat alles liefde is en dat de afscheiding een droom is (wat het Verzoeningsprincipe is) dan wordt alles en iedereen waargenomen door de lens van de liefde.

Anderzijds, wanneer we bang worden voor die liefde en we kiezen voor het ego als onze leraar (wat de enige speciale relatie is) dan worden al onze relaties speciaal. Ze worden allemaal onheilig, ze worden allemaal doordrongen van schuld die de eigenschap is van het denksysteem van het ego. Daarom is alles hetzelfde. Wanneer ik voor het ego kies als mijn leraar, dan wordt alles in de wereld gezien als hetzelfde: een bron van schuld, een bron van zonde, een geloof in straf, lijden en dood. Kies ik echter voor Jezus als mijn leraar dan wordt alles, nogmaals, gezien door de lens van zijn liefde en zijn vrede en is iedereen hetzelfde gedurende mijn dag, mijn week, mijn maand, mijn jaar, gedurende de rest van mijn leven en wordt ik mij er bewust van dat elke verandering die ik in mezelf ervaar afkomstig is van die verandering van leraar. En wanneer ik niet gelukkig ben met hoe ik mezelf ervaar, ik voel mij schuldig, boos, angstig, depressief enz. dan ligt het probleem niet in iets wat buiten mij is of dit nu in het lichaam is van iemand anders of van mezelf, maar het probleem ligt in de verkeerde keuze die ik gemaakt heb in mijn denkgeest en die ik makkelijk kan corrigeren.

En het is dit voortdurend terugkeren naar het keuzemakende gedeelte in onze denkgeest zodat we opnieuw zouden kiezen, die de kern vormt van het gebed, en de oplossing voor Nieuwjaar, van Jezus.

 
Laat ons daarom besluiten dat we van nu af aan verder gaan met ons leven, niet door macht te geven aan gelijk wat buiten ons, maar enkel en alleen aan de mogelijkheid van ons denken om te kunnen kiezen.