vrijdag 16 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 29 - Kerstmis


 
Een interessant fenomeen van Een Cursus in Wonderen is dat bij het opschrijven van de Cursus door Helen het op verschillende momenten de periode was van een feestdag en dan in het bijzonder rond Kerst, Nieuwjaar en Pasen. En wanneer die tijd naderde en Helen aan het schrijven was , wanneer deze periode dichterbij kwam, dan betrok Jezus dit, onafhankelijk van welk belangrijk thema hij toen behandelde en dit zowel in het Werkboek als in de tekst, en voegde dit samen met het symbolische van deze periode.
Zoals bijvoorbeeld in het begin van hoofdstuk 20 waar je verwijzingen terugvindt naar Pasen (de eerste paragraaf van dit hoofdstuk noemt ‘De Goede Week’) en tegen Kerstmistijd zijn er twee plaatsen waar dit gebeurt. Eén keer in het Werkboek, les 303: ‘De heilige Christus is vandaag in mij geboren’ en bijna op het einde van hoofdstuk 15.
Ik wou nu
één van deze prachtige passage lezen die gerelateerd is aan Kerstmis.
Het is hoofdstuk 15, paragraaf XI, alinea 2:
Het teken van Kerstmis is een ster, een licht in de duisternis. Zie het niet buiten jezelf, maar stralend in de Hemel van binnen en neem het aan als teken dat de tijd van Christus is gekomen.’
Dit past heel mooi bij het thema van die paragraaf en dat hoofdstuk, dat de tijd van Christus werkelijk het heilig ogenblik is waarin geen offer is, waarin we tegen het ego kiezen en voor Jezus als onze leraar. En een belangrijk onderdeel van die keuze is herkennen dat er niets buiten ons is dat ons op één of andere manier zou kunnen raken; dat het licht van Christus niet iets is van buiten uit, dat de komst van Jezus in de wereld niet gezien moet worden als iets dat te maken heeft met de vorm of met de geboorte van een lichaam, maar dat de verschijningsvorm van dit grote symbool van de Liefde van de Hemel in wezen aanwezig is in onze denkgeest. Het is niet iets dat verschijnt en dan weer verdwijnt, maar de tijd van Kerstmis biedt ons de mogelijkheid ons te herinneren dat de tijd van Christus altijd aanwezig is. Het is er altijd, hier en nu.
Een belangrijk onderwerp van de Cursus is dat lineaire tijd een illusie is, er bestaat geen verleden en geen toekomst. Kerstmis is dus niet iets wat één keer, 2100 jaar geleden, heeft plaatsgevonden. Kerstmis is niet iets dat elk jaar weer komt als een tijd voor pakjes om te geven en te krijgen. Het staat echter als symbool voor het feit dat dit licht altijd schijnt in de duisternis van ons door het ego gevoede denken en de schaduw van de schuld die we werkelijk gemaakt hebben en die we projecteren op de wereld en op alle relaties in de wereld. Dat dit licht altijd straalt, dat de aanwezigheid van de Heilige Geest in onze denkgeest nooit weggegaan is.
En het is dus dit licht dat schijnt in de duisternis waar deze tijd ons doet aan herinneren. En naarmate we deze periode dus naderen - en alle drukte van Kerstmis en al het commerciële er omheen waar we allemaal nogal een afkeer van hebben - toch kunnen we deze Kersttijd gebruiken als een symbool voor de herinnering en als geheugensteuntje voor onszelf dat ondanks wat er zich in onze persoonlijke wereld afspeelt of in de wereld in het algemeen, dat dit licht altijd schijnt.
En er is niets, en dit is wellicht het belangrijkste aspect aan dit symbool, er is absoluut niets in deze wereld die dit licht van ons kan afnemen, behalve onze eigen keuze, onze eigen angst die denkt dat er een macht is groter dan de Hemel, dat er een macht is die groter is dan liefde en dat wij die macht zijn. Dat is de oorsprong van het geloof in de afscheiding, dit is het geloof in schuld, maar dit maakt allemaal deel uit van het bedrog van het ego.
De waarheid van deze kwestie is dat dit licht voor altijd blijft en nooit gedoofd kan worden door gelijk welke verkeerd genomen keuze.
Herhaaldelijk zegt de Cursus ons dat ons leven hier een droom is en dromen zijn geen werkelijkheid. En dus is het licht van Kerstmis, dat in onze denkgeest schijnt, het licht dat voorbij de droom ligt, het is de liefde die voorbij alle angst ligt, alle schuld, haat, pijn, lijden en dood die zo kenmerkend is voor onze wereld.
Deze tijd biedt ons dus een herinnering voor onszelf aan, ongeacht wat er ook gebeurt in onze persoonlijke wereld, dat we steeds die liefde, vrede en hoop van Kerstmis kunnen vinden. Het is de hoop die werkelijk een einde maakt aan de realiteit van ons wezen. Het is de hoop die ons zegt dat, ongeacht wat er gebeurd, er is altijd licht op het einde van de tunnel, er is altijd een licht die schijnt in de duisternis en het is dit licht die de ware betekenis is van Kerstmis.


donderdag 15 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 23 - Ideeën verlaten hun bron niet.




Het onderwerp van deze morgen is ‘ideeën verlaten hun bron niet’ (o.a. T26.VII.4:7)

Dit is een van de belangrijkste principes van Een Cursus in Wonderen. Het kan op twee niveaus begrepen worden. Het eerste niveau van ‘ideeën verlaten hun bron niet’ geeft de waarheid weer van de Verzoening, nl. dat de gedachte, zijnde de Zoon van God, nooit zijn Bron in de Hemel kan verlaten, wat wil zeggen dat de afscheiding van God nooit is gebeurd. Het is slechts een illusie of een nare droom.

‘Ideeën verlaten hun bron niet’ is ook van toepassing op de afgescheiden denkgeest. In de afgescheiden denkgeest verlaat elke gedachte die we hebben, zoals schuld of vergeving, de denkgeest niet al lijkt het erop dat zij de wereld in gaan, wat projectie (van de schuld)is of de uitbreiding (van de vergeving) uitdrukt.

Voor de doelstelling van deze bespreking hou ik mij nu enkel bezig met het denksysteem van het ego voor wat projectie betreft. ‘Uitbreiding’ is de term die de Cursus gebruikt voor het juist gerichte denken of voor het juiste gebruik van projectie.

Het ego vertelt ons dat de schuld in onze denkgeest werkelijk is, dat zij buitengewoon weerzinwekkend is en de enige manier waarop we vrede kunnen vinden is door te ontsnappen aan deze schuld door ons ervan te bevrijden door middel van projectie; dat we de schuld nemen die in onze denkgeest is, die naar buiten projecteren en haar op iemand anders plaatsen, met andere woorden: ideeën verlaten hun bron. De schuld in onze denkgeest kan zich naar buiten verplaatsen, terechtkomen op het lichaam van iemand anders waardoor onze aanvallen, oordelen of kritiek op hen gerechtvaardigd zijn. De schuld is dus in hen en niet in mij.

De waarheid echter is dat ‘ideeën hun bron niet verlaten’. Dat wat er ook in de denkgeest is, in de denkgeest blijft want er is niets buiten de denkgeest. De stellingname dus dat ‘ideeën hun bron niet verlaten’ is op het niveau van de gespleten denkgeest een andere manier om te zeggen dat er geen wereld is. Les 132 zegt immers: ‘Ik bevrijd de wereld van al wat ik haar heb toegedacht.’, waarmee Jezus verwijst naar dit belangrijke principe dat ‘ideeën hun bron niet verlaten’ en vervolgt door te zeggen: ‘Er is geen wereld! Dit is de kerngedachte die de Cursus probeert te onderwijzen.’ (Wd1.132.6:2-3)
En, nogmaals, er is geen wereld omdat de gedachte van schuld, de afscheidingsgedachte in de denkgeest nooit zijn bron heeft verlaten en niet kan verlaten; eenvoudig dus: projectie werkt niet. Dit is een andere manier om een heel belangrijk verschil te begrijpen die we in de Cursus terugvinden – tussen de Cursus en andere disciplines en denksystemen van de huidige tijd, die het hebben over de eenmaking van geest, lichaam en ziel.
De denkgeest is niet in het lichaam. Het lichaam is in de denkgeest, want, nogmaals: ‘ideeën verlaten hun bron niet’. De geest zit niet gevangen in het lichaam, de geest komt bij de dood niet los van het lichaam, zoals vele mensen denken, omdat, nogmaals de denkgeest zich niet in het lichaam bevindt want ‘ideeën verlaten hun bron niet’. Dit principe kan niet genoeg herhaald worden. Het vormt de complete basis van het denksysteem waarop de Cursus is gesteund.

Het denksysteem van het ego is echter gesteund op het tegenovergestelde van dit principe, d.w.z. ideeën verlaten hun bron. De gedachte, zijnde de Zoon van God, kan zijn Bron in de Hemel verlaten en een zelf maken, een identiteit, een wereld en een vorm van liefde die tegengesteld is aan de Hemel. We hebben nu een begrensd, afgescheiden zelf in plaats van het ene Zelf als Christus. We kennen nu speciale liefde in plaats van de Liefde van God. We hebben afscheiding in plaats van eenheid en we hebben een wereld van lijden, pijn en dood in plaats van de eeuwigheid in de Hemel. Het ego zegt dus dat ideeën wel degelijk hun bron verlaten, de Heilige Geest spreekt dit tegen door middel van het Verzoeningsprincipe dat zegt: ‘ideeën verlaten hun bron niet.’

Gezien het ego gelooft dat de Zoon de Hemel heeft verlaten (en dat is uiteindelijk wat het ego is) beschermen we als het ware datgene wat we verworven hebben. We beschermen onze identificatie met het ego door het vanuit de denkgeest in het lichaam te plaatsen.

In het begin van hoofdstuk 18 heeft Jezus het over de eerste projectie van de vergissing, die de projectie is, de wereld in, van een afscheidingsgedachte en hiermee een wereld heeft gemaakt. Op een andere plek zegt Jezus dat de wereld een waansysteem is gemaakt door hen die gek geworden zijn van schuld. (T13.Inl.2:2).

Het enige wat de wereld is, is een projectie van een gedachte van schuld in de denkgeest, maar gezien die gedachte van schuld zich niet echt heeft voorgedaan (omdat ideeën hun bron niet verlaten) is er daarom niet alleen geen schuld, maar is er geen wereld.

In die herkenning en in die aanvaarding van dit heuglijke feit vinden we de basis voor de vergeving. Daarom leert Jezus ons in de Cursus dat we vergeven wat nooit is gebeurd.
Er is niemand buiten mij. Niet alleen is er niemand die mij gekwetst heeft door de vrede van God van mij af te nemen, er is niemand buiten mij die mij kan kwetsen want ‘ideeën verlaten hun bron niet’. En in die gedachte wordt verlossing gevonden en door het toepassen van deze gedachte in ons dagelijks leven is het dat Een Cursus in Wonderen wordt geleerd, toegepast en onderwezen.

woensdag 14 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 35 - De grabbelton van schuld




Het thema voor deze morgen is ‘de grabbelton van schuld’. Dit is een concept dat ik gedurig aan bespreek in diverse workshops en ik denk dat het een bruikbaar concept is in de zin van het in praktijk brengen van vergeving.

Waar dit beeld voor staat, de grabbelton van schuld, is dat we hier rondlopen met deze enorme tas over onze schouder, als een ego-kerstman. En in deze tas, deze grabbelton, zitten een hele hoop dingen waar we ons schuldig over voelen en dit zolang we ons kunnen herinneren tot de dag van vandaag.
Dit zijn zaken waar we naar grijpen, telkens we ervoor kiezen om ons te verdedigen tegen de waarheid van onze werkelijkheid, telkens we er voor kiezen om meer en meer juist gericht te denken en dat het deel, van ons ego, steeds banger wordt voor deze beslissing om niet langer dit individuele, afgescheiden, speciale zelf te zijn, we grijpen naar iets dat ons er doet aan herinneren dat het ego onze vriend is, dat het denksysteem van het ego onze identiteit is en aan al die verschillende speeltjes die het ego gebruikt, al die verschillende vormen in ons fysieke, lichamelijke leven hier in de wereld die dit denksysteem vertegenwoordigt en dit alles is ondergebracht in de grabbelton en wordt datgene waar we ons toe wenden voor hulp.

Op het einde van de laatste blokkade voor de vrede, bijna op het einde van hoofdstuk 19, wanneer we er bijna klaar voor zijn om door deze laatste sluier, de angst voor God, te gaan en te verdwijnen in de Aanwezigheid voorbij deze sluier, zegt Jezus ons dat dit het  ogenblik is dat we bang worden en zelfs doodsangst uitstaan (T19.D.6:2) en dat we onze ogen neerslaan bij de herinnering aan wat wij onze ‘vrienden’ hebben beloofd. En deze ‘vrienden’ zijn in wezen: zonde, schuld, angst en dood.

Wat in de grabbelton zit zijn alle uiterlijke verschijnselen van het denksysteem van zonde, schuld, angst en dood, het geloof dat onze afscheiding van onze Schepper en Bron wel degelijk is gebeurd. En daar grijpen we naar.

Het probleem nu, en dit is de moeilijkheid in het vergevings- en genezingsproces, is dat we ons wenden tot deze grabbelton wanneer we hulp nodig hebben, nogmaals om ons te verdedigen tegen dat wat we in werkelijkheid zijn: geest.
Wat zich in de grabbelton bevindt is niet zozeer van belang. Het is zelfs zo dat alles in deze grabbelton niet alleen een illusie is, maar het is een illusie die afleidt. Want nogmaals, het doel ervan is om ons weg te houden van de herinnering dat we geest zijn en dat we opnieuw kunnen kiezen.
De kwestie is dus niet wat er zich in de grabbelton bevindt, is niet datgene waarvan we denken dat het onze vrede verstoort. De kwestie is: waarom we ons tot deze grabbelton wenden.

In de paragraaf in de tekst die gaat over dissociatie (T10.II.1:5), direct in het begin van deze paragraaf, zegt Jezus ons dat het probleem niet ligt in wat we hebben gedissocieerd, maar in het feit dat we gedissocieerd, afgescheiden zijn. Wanneer we dit veralgemenen kunnen we zeggen dat het probleem zich niet bevindt in de grabbelton van schuld. Nogmaals alle verschillende gebeurtenissen waarover we ons schuldig voelen, waarom we ons afgescheiden voelen van liefde, waarom we boos zijn, we pijn lijden, we gelukkig zijn, alles dat ruikt naar onze speciale liefdes- of speciale haatrelaties. Het probleem is niet de vorm die de schuld aanneemt. Het probleem is waarom we in eerste instantie voor schuld kiezen, waarom we er weer voor kiezen om in de grabbelton te grijpen en, nogmaals, niet voor wat er in de grabbelton zit.

Een andere manier om hetzelfde te zeggen is: het probleem is nooit de vorm, het is altijd de betekenis.
Vorm heeft altijd te maken met gedrag, met iets uiterlijks.
Inhoud, betekenis heeft altijd te maken met de denkgeest. En in die gespleten denkgeest zijn er steeds twee kerngedachten:
-             het onjuist gerichte denksysteem van het ego: zonde, schuld, angst, oordeel, lijden, pijn, aanval en dood

-             en het juist gerichte denken of de juiste kerngedachte van de Heilige Geest: vergeving, het wonder, genezing, vrede en de terugkeer naar liefde.

En het probleem is de keuze die ons keuzemakend gedeelte in onze denkgeest maakt en niet de vorm die deze keuze aanneemt.

Wanneer we dus van streek zijn dan moeten we terugdenken aan les 5 van het werkboek die zegt: Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk. Ik denk dat ik van streek ben omwille van datgene wat zich in de grabbelton bevindt, voor hetgene wat jij mij gisteren hebt aangedaan, wat je vijf minuten geleden hebt gedaan, wat je mij vijftig jaar geleden hebt aangedaan, wat je mij zeventig jaar geleden hebt aangedaan, wat ik denk dat jij mij hebt aangedaan, wat ik denk dat je mij mogelijks zult aandoen.
Alles wat ik in deze wereld een oorzakelijke waarde geef, alles wat ik in de wereld zie als iets wat de macht heeft oorzaak te zijn van mijn onvrede of mijn geluk. Het probleem is dus niet wat ik denk dat mij onvrede geeft. Het probleem is waarom ik ervoor kies niet in vrede te zijn.
Alles komt dus neer op het doel, wat voortdurend het centrale thema is van Een Cursus in Wonderen: ‘waartoe dient het?’ (T24.VII.6:1)
Jezus zegt ons om voor alles in de wereld te vragen ‘Waartoe dient het?’ en te begrijpen dat het doel van iets ons zal helpen om te herkennen wat het probleem is.
Het doel is dus waarom ik mij tot de grabbelton wend, waarom ik ervoor kies dat er dingen in de wereld zijn die mij boos maken. Dat is de kwestie.
En ik grijp naar deze dingen zodat ik mij kan verstoppen achter het feit dat ik de verscholen zondaar ben. Ik ben degene die stiekem gekozen heeft tegen de liefde en ervoor gekozen heeft afgescheiden te zijn. En dus ga ik naar de grabbelton en verschuif ik de verantwoordelijkheid voor wat ik geloof dat ik gedaan heb naar dat wat de wereld mij aandoet en hoef ik hierbij geen rekening te houden met de vergissing die het keuzemakend gedeelte in mijn denkgeest heeft gemaakt, wat dus betekent dat ik het nooit kan corrigeren.

En wanneer ik het niet corrigeer is het niet mogelijk ooit uit deze hel te ontsnappen en terug te keren naar de Hemel.

dinsdag 13 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 22 - Projectie maakt waarneming



Het thema voor deze morgen is ‘projectie maakt waarneming’.

Dit is één van de meest essentiële principes in de Cursus. Het is zelfs zo belangrijk dat het herhaald wordt in de tekst. (T12V.3:5; T21.Inl.1:1) In zekere zin behelst het de kern van de poging van wat het ego ons laat doen en het begrijpen ervan brengt ons naar de kern van hoe de Heilige Geest deze poging van het ego ongedaan maakt.

Eén van de manieren om de kenmerken van de strategie van het ego duidelijk te maken of uit te leggen, is dat het ego probeert om ons onbewust te maken. De schrik van het ego is dat wanneer we terugkeren naar onze denkgeest, wanneer we ons bewust worden, we ons denken zouden veranderen en dat we onze oorspronkelijke keuze voor het ego, die het denksysteem is van het zijn van een individueel, speciaal en uniek wezen, een denksysteem waarmee we ons identificeren; (we zijn in die zin dus het ego geworden), dat dit denksysteem dus ongedaan wordt gemaakt eenvoudig door het veranderen van ons denken. En om er dus zeker van te zijn dat we ons denken niet zouden veranderen onderwijst het ego ons dat we onbewust (geesteloos, onbezield) zijn door het gedachtesysteem van het ego aan te nemen (afscheiding, zonde, schuld, angst of straf, lijden en dood), dit naar buiten projecteren en ons dan doet vergeten dat we dit geprojecteerd hebben. Het is zoals een sluier van vergetelheid of een ijzeren gordijn, een gordijn van geheugenverlies dat voor onze denkgeest neervalt en we hebben niet langer de herinnering  dat wat we buiten ons waarnemen iets is wat we binnen in ons hebben waargenomen. We denken dus dat wat we buiten ons waarnemen daar ook is en dit komt omdat we vergeten zijn dat projectie de waarneming maakt, dat we in eerste instantie, op het niveau van de denkgeest, kiezen welk denksysteem we zullen aanhangen: het denksysteem van afscheiding (afgescheiden belangen, schuld, aanval, oordeel) of het denksysteem van de correctie (het denksysteem van de gedeelde belangen, van vergeving, van het wonder). En datgene waarvoor we, in onze denkgeest, gekozen hebben om werkelijk te maken projecteren we en nemen dit dan buiten ons waar.

Ervan uitgaande dat ik gekozen heb voor het ego kies ik dus eerst voor dit denksysteem van schuld , projecteer ik dit naar buiten en zie daarom overal om me heen zonde en schuld, maar ik neem het buiten mij waar omdat ik het daar geprojecteerd heb, ik heb het daar geplaatst. Maar gezien ik vergeten ben dat ik het geprojecteerd heb, lijkt het nu, nogmaals, dat wat ik buiten mij zie er ook werkelijk is en heb ik niet langer de herinnering dat ik (een denk)geest ben.

En gezien we die herinnering dat we denkgeest zijn niet meer hebben, kunnen we dit, nogmaals, niet veranderen en wanneer we ons denken niet kunnen veranderen dan blijft de oorspronkelijke keuze van het ego voor altijd behouden, of schijnbaar voor altijd, en alle hoop is verdwenen.

De hoop die Jezus ons in de Cursus biedt ligt in de gedachte dat projectie waarneming maakt. Er is ontsnapping mogelijk aan de wereld die ik waarneem. Er is een uitweg voor het lichaam dat ik waarneem en ervaar, het lichaam dat altijd gekweld wordt door pijn, dat oud wordt en uiteindelijk sterft, een lichaam dat lijdt onder de verwondingen en aanvallen door anderen.

Hier is geen ontsnappen aan omdat we niet echt controle hebben over de wereld. We hebben wel de illusie dat we bepaalde dingen onder controle kunnen houden, maar het is duidelijk dat we niet de controle over alles hebben en we weten dat we in ieder geval geen controle hebben over de natuurwetten, over de wetten van het lichaam en de wetten van de dood.

Maar er is hoop wanneer we herkennen dat dit alles plaatsvindt in de denkgeest en dat dit nooit zijn bron verlaten heeft (dit is een logische gevolgtrekking in de Cursus die we op een andere keer zullen bespreken, nl. dat ideeën hun bron niet verlaten – T26.VII.4:7). Maar we herkennen nu dat, gezien projectie de waarneming maakt, wanneer ik mijn identiteit in mijn denkgeest verander dan zal dit ook mijn waarneming van de wereld veranderen. En in plaats van de wereld als een koude en wrede, vijandige plek te zien waarin ik kwetsbaar ben en, zoals de Cursus het zegt, overgeleverd ben aan krachten voorbij mijn controle (T19.IV.D.7:4) word ik er mij nu bewust van dat ik er wel degelijk controle over heb. Ik kan dan wel geen controle hebben over jouw lichaam of over mijn lichaam, maar ik heb wel degelijk controle over mijn denken, want nogmaals gezien projectie waarneming maakt is er nu iets aan te doen. In feite, hoofdstuk 21 die begint met de reeds aangehaalde regel ‘projectie maakt waarneming.’ zegt een paar regels verder in de eerste alinea, dat de wereld die je ziet een uiterlijke weergave is van een innerlijke toestand (T21.Inl.1:5) De wereld die je ziet is een uiterlijke weergave van een innerlijke toestand. En die innerlijke toestand is de keuze van je denkgeest en wanneer ik gekozen heb voor het ego dan is de wereld die ik buiten mij zie (de wereld die ik waarneem) een wereld van ego’s, aanval, afscheiding, zonde, schuld, angst, oordeel en uiteindelijk dood. Maar dit is zo omdat ik het daar geplaatst heb. Projectie maakt waarneming. Maar omdat ik het naar buiten heb geprojecteerd en in jou alle oordelen over mijzelf zie, al mijn gedachten van zonde en schuld, wat een afschuwelijk iemand ik ben omdat ik degene ben die mij afgescheiden heb van God en Zijn Liefde heb verraden en Zijn Aanwezigheid heb verlaten. En in plaats van jou hiervan te beschuldigen herken ik nu dat dit een projectie is van dat wat ik geloof en werkelijk heb gemaakt in mijn denkgeest.

Les 134 in het werkboek zegt wanneer je geneigd bent om iemand van iets te beschuldigen je moet stoppen en jezelf eerst afvragen: “Wil ik mezelf hiervan beschuldigen?”
Gezien projectie waarneming maakt beschuldig ik jou van dat waar ik heimelijk mezelf van beschuldig. Maar wanneer ik die projectie kan omkeren  (wat de functie is van het wonder), ik breng die projectie terug naar mijn denken (denkgeest) dan is wat ik naar buiten had gebracht op jouw lichaam of op dat van mijzelf en ik breng dit terug naar mijn denkgeest, dan herinner ik mij opnieuw dat ik een denkgeest heb. Ik wordt bewust in plaats van onbewust en ik kan dus nu mijn denken veranderen. Daar is het waar de hoop ligt en ‘projectie maakt waarneming’ is de manier waarop ik die keuze kan maken omdat dit mij helpt begrijpen wat mijn ego gedaan heeft.

Het wonder neemt datgene wat ik buiten mij heb geplaatst, brengt het opnieuw terug naar binnen in mijn denkgeest waar ik er nu naar kijk en vanwaar ik het nu kan beoordelen door de ogen van Jezus in plaats van door de ogen van het ego en het daardoor kan laten gaan.

maandag 12 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 21 - Dagelijkse toepassing van Een Cursus in Wonderen




Deze morgen verlaten we even de metafysische kwesties die we anders bespreken in deze opnames en richten ons nu meer op de praktische toepassing van wat het betekent om student te zijn van Een Cursus in Wonderen en wat het betekent om in ons dagelijks leven de principes van vergeving toe te passen.

Ieder van ons wordt geconfronteerd met ontelbare dingen en van sommige denken we dat ze groot zijn, andere zijn dan weer klein, maar dingen die ons gedurende de dag, om nog maar niet te spreken van de dingen in ons leven, ten top drijven of die ons in de war brengen en die onze vrede verstoren. En dit kan gaan van onbelangrijke dingen, zoals bijvoorbeeld op de snelweg rijden en iemand snijdt je de pas af of we staan aan de expreskassa waar je 10 artikelen mag afrekenen, degene voor je heeft dertien en een halve artikelen en we merken dat dit ons boos maakt.
Of het gaat om dingen die aangrijpender zijn; we raken onze baan kwijt en hebben hier geen fout aan; wij moeten de hypotheek afkorten of de auto afbetalen; van een geliefde hebben we zo juist gehoord dat hij of zij kanker heeft of er is ons gezegd dat wijzelf kanker hebben; we luisteren naar het nieuws en horen dat een derde wereldoorlog om de hoek schuilt of we horen van de ineenstorting van de financiële markt wat de financiële ondergang betekent voor onze families.
Al dit soort dingen waarmee we geconfronteerd worden, gezondheidskwesties, gezondheidskwesties van onszelf of zij nu groot zijn, als kanker, zoals ik zo juist vernoemd heb of ik ben niet blij met hoe ik eruit zie; ik ben niet blij met deze extra rimpel; ik vind het niet fijn dat ik een aantal kilo’s ben aangekomen. Wat het ook mag zijn doet er niet toe.

Wanneer Jezus ons zegt dat een lichte steek van ergernis hetzelfde is als een intense woede dan zegt hij hiermee dat er geen rangorde is in illusies, wat de eerste wet van de chaos tegenspreekt. (Hij legt hiermee ook uit waarom er geen rangorde in moeilijkheid is bij wonderen, wat het eerste principe van wonderen is.) Het is omdat elk probleem hetzelfde is, wat betekent dat elk probleem op dezelfde manier moet opgelost worden.

En wat Jezus, als meester-psycholoog, in deze Cursus doet (en zijn onderricht leunt sterk aan tegen de leringen, en dan vooral van het ego, van het grote genie Freud) is dat hij ons helpt te begrijpen wat motivatie is, wat een andere manier is van praten van een doel.
Met andere woorden waarom wij van streek raken daar is een reden voor. Ongeacht of ik nu net gehoord heb dat ik kanker heb of ik heb een splinter in mijn vinger of iemand snijdt mij de pas af op de weg. Ongeacht de schijnbare omvang of kleinheid van het probleem dat zich voordoet, er is nog steeds een keuze in mijn denkgeest die mij beïnvloedt hierdoor geraakt te worden. En dat is het sleutelbegrip.
Wat er ook maar rondom mij gebeurt is, nog steeds, geen reden om de liefde en de vrede van God, die in mijn denkgeest is, op te offeren. Zoals in les 34 staat: ik kan altijd in plaats hiervan vrede zien. (Wd1.34) Ik kan, ongeacht wat er in mijn leven gebeurt, ongeacht wat er omgaat in de wereld, in vrede zijn en dit is het wat helpt.
Eens ik dit principe begrijp, wat de kern vormt voor vergeving, kan ik het oefenen en het telkens en elke keer dat ik van streek raak, toepassen.

We zijn echter geneigd om sommige problemen ernstiger dan andere te nemen, problematischer dan andere, minder makkelijk op te lossen dan andere. En inderdaad, wanneer je naar de wereld kijkt, maar dan wel vanuit het perspectief van de wereld, lijkt dat inderdaad zo te zijn.

Maar wat betekent dit voor een denkgeest die de macht heeft om te kiezen, die de macht heeft om te kiezen voor het oordeel van het ego of voor de visie van de Heilige Geest (de Cursus zegt: of visie of oordeel is jouw keuze, maar nooit beide, (T20.V.4:7)  je moet het ene of het andere kiezen).

Dus wat betekent dit voor ons, die weten dat we een denkgeest zijn - want daar gaat het om -wanneer ik door iets in de wereld van streek geraak dan komt dit alleen omdat ik in mijn denkgeest ervoor gekozen heb om dat iets, die persoon, die situatie de macht te geven om mij van streek te maken.

Gezien de Cursus onderwijst, en hier sluit de metafysische fundering aan bij de praktische toepassing, dat er letterlijk niets is wat buiten onze denkgeest bestaat – ideeën verlaten hun bron niet (een thema waar in een ander praatje dieper zal worden op ingegaan). En wanneer ideeën hun bron niet verlaten is er ook geen uiterlijke wereld. De afscheidingsgedachte, en het denksysteem dat eruit is voortgekomen, heeft de denkgeest nooit verlaten, wat betekent dat er niets ‘buiten’ mijn denkgeest is dat mij in de war kan brengen. Maar er is wel een keuzemakend deel in mijn denkgeest die ervoor kan kiezen om van streek te zijn.

En als we ervoor kiezen om van streek te zijn – hier heb je opnieuw de kwestie van de motivatie – kiezen we om van streek te zijn omdat dit de Liefde van God voor ons weghoudt.
Dat is hetgene wat het bewustzijn, de ervaring van de herinnering aan Gods Liefde weghoudt en die in ons juist gerichte denken bijgehouden wordt door de Heilige Geest. En wanneer ik mij niet bewust ben van die Liefde en mij er niet mee identificeer dan blijft mijn individuele, speciale, unieke zelf intact.
Het is dus het verlangen om dit zelf te behouden, dit individuele, speciale zelf, tegen de indringing, de indringing van de Liefde van God waarin geen ‘ik’ bestaat en waarin geen bestaan is van een afgescheiden zelf, het is dit verlangen dat mij ertoe leidt alles te doen om die liefde van mij af te houden.
Ik heb er dus in eerste instantie voor gekozen om het probleem van de schuld in mijn denkgeest te hebben, om dit vervolgens naar buiten te projecteren en dan ervoor te kiezen een wereld te maken, zowel collectief als individueel, een wereld waarin continu een bron voor problemen is die mij voortdurend raken en mijn vrede treffen. En ik geloof, gezien ik niet weet dat ik hiervoor een denkgeest heb, dat het dit is wat mij van streek maakt of dat dit hetgene is wat mij gelukkig maakt.

De praktische manier dus om met problemen om te gaan is door er bewust van te worden dat het probleem is dat ik geloof dat er een probleem is. Dat is het probleem en niet de vorm van het probleem, maar dat ik geloof, dat mijn denkgeest gelooft dat er een probleem is.

Het is in die herkenning dat verlossing komt en het is deze herkenning, die het heilig ogenblik is, die het doel vormt van Een Cursus in Wonderen.

zondag 11 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen - 20 - Vragen aan de Heilige Geest




Een belangrijk thema van Een Cursus in Wonderen, in verband met de toepassing ervan, is het vragen om hulp aan de Heilige Geest.

In een andere opname heb ik besproken wie de Heilige Geest is, namelijk dat Hij symbool staat voor ons juist gerichte denken.

In de Cursus wordt Hij omschreven als ‘de Stem namens God’. Hij wordt ook omschreven als zijnde onze Leraar, degene naar Wie wij ons kunnen richten wanneer we gevangen zitten in ons ego. Daarom dacht ik dat het belangrijk is te bespreken wat het voor Een Cursus in Wonderen betekent om de Heilige Geest om hulp te vragen. Wat betekent het om tot Hem te bidden.

Zoals velen onder ons wellicht weten is het tweede pamflet dat Helen Schucman neergeschreven heeft ‘Het Lied van het Gebed’. Het eerste was ‘Psychotherapie’. En Het Lied van het Gebed is eigenlijk een jaar na de publicatie van de Cursus door Helen geschreven. De Cursus is in 1976 gepubliceerd, het pamflet werd geschreven in de herfst van 1977. Aanvankelijk is het geschreven door Helen, of neergeschreven door Helen, als een reactie op wat reeds was gebeurd in kringen rond Een Cursus in Wonderen, namelijk dat studenten in de war waren omtrent drie essentiële vlakken van het onderricht van de Cursus met name:  gebed, vergeving en genezing.

In deze opname bespreek ik enkel het gebed.

Eén van de hoofdthema’s van het eerste hoofdstuk van Het Lied van het Gebed gaat, nogmaals, over wat het betekent om tot de Heilige Geest te bidden voor hulp. Wat lijkt te gebeuren met studenten van Een Cursus in Wonderen, en meestal in het begin van hun studie van de Cursus (ook al kan die eerste fase maar blijven doorgaan …), is dat zij de Heilige Geest om specifieke hulp vragen zoals welke job zal ik nemen, moet ik deze relatie wel aangaan, moet ik deze relatie veranderen, moet ik uit deze relatie stappen, moet ik stoppen met deze relatie. Het gaat zelfs zo ver dat men vraagt waar men zijn auto zal parkeren, wat zal ik vandaag aantrekken, welk gerecht zal ik bestellen in het restaurant, enz., enz. .

Het doel van dit pamflet was Jezus’ manier om deze misvatting, van dat wat de Cursus bedoelt met ‘vragen aan de Heilige Geest’, te corrigeren.

In het tweede hoofdstuk van Het Lied van het Gebed heeft Jezus het over het misverstand omtrent vergeving en noemt dit ‘vergeving-ter-vernietiging’.
En alhoewel hij deze specifieke term, om hulp te vragen of te bidden, niet gebruikt, kan men toch zeggen dat er op de eerste bladzijden van het pamflet duidelijk gewezen wordt dat de Heilige Geest om hulp vragen, of Jezus om hulp vragen, is ‘vragen-om-vernietiging’ of ‘bidden-om-vernietiging’, wat wil zeggen dat het hele idee om iets specifieks te vragen betekent dat we hiermee het egodenksysteem juist versterken, terwijl we in feite proberen het ongedaan te maken door om hulp te vragen.
Met andere woorden, wanneer wij denken dat we een specifiek probleem hebben en dat we daarvoor een specifiek antwoord nodig hebben van de Heilige Geest is wat we eigenlijk aan het doen zijn op een arrogante manier denken te weten wat het probleem is, iets wat altijd één of andere uitdrukking is van de fysieke wereld en onze fysieke of psychische ervaringen in de fysieke wereld, en dan vragen dat de Heilige Geest ons antwoord geeft in die vorm die wij nu juist gemaakt hebben of bedacht.
Zoals Jezus eens in een persoonlijke boodschap tegen Helen zei dat een dergelijke vraagstelling is proberen om zijn liefde inschikkelijker te maken, zijn liefde naar de hand zetten door het een specifieke vorm te geven.

Wat de Cursus dus echt bedoelt met de Heilige Geest om hulp vragen is dat we Hem vragen te helpen om het werkelijke probleem ongedaan te maken. Het echte probleem die de keuze was van onze (denk)geest om ons te verbinden met het ego in plaats van met Hem. De beslissing van de denkgeest om ons te identificeren met het denksysteem van afscheiding, schuld en aanval van het ego in plaats van met het denksysteem van vergeving, het wonder en de genezing van de Heilige Geest.

Dus wat het vragen werkelijk wil zeggen is dat wanneer we ons bewust worden van onze oordelende gedachten, wanneer we ons bewust worden van, of angstig worden van gelijk wat in deze wereld, of we zijn opnieuw in de val getrapt van het ego-web van speciaalheid, dat we dan zo snel mogelijk ons opnieuw wenden tot het keuzemakende gedeelte in onze denkgeest, herkennen dat onze gevoelens van ongemak en onrust afkomstig zijn van onze onjuist gerichte keuze en dat we opnieuw kiezen.

De Heilige Geest of Jezus om hulp vragen wil dus zeggen: vragen om ons te helpen dat we ons herinneren wie we zijn, dat we ons herinneren wie de echte Leraar is, dat we ons herinneren welk denksysteem ons verlost in plaats van ons steeds dieper te vestigen in het denksysteem van de hel van het ego.

Met andere woorden, zoals vroeg in de tekst, in verband met gebed, waar Jezus zegt dat het enige betekenisvolle gebed het gebed voor vergeving is, omdat we alles hebben. (T3.V.6:3) Waar hij dus naar verwijst is dat we niet moeten vragen om iets. We hoeven zelfs niet te vragen voor specifieke hulp voor specifieke problemen want we hebben reeds alles wat we nodig hebben, we hebben immers de Liefde van God.
Vragen om hulp is dus vragen om herinnerd te worden aan dit alles wat we hebben en beroep te doen op de Leraar Die ons leert dat er verder niets te vragen is omdat Zijn Liefde alles is wat we ooit willen of nodig hebben of verlangen.

zaterdag 10 januari 2015

Thema's uit Een Cursus in Wonderen: 19 - Meditatie





Het thema voor vandaag is ‘meditatie’.
Dit is een vraag die vaak gesteld wordt: ‘Welk standpunt neemt de Cursus in betreffende meditatie? Maakt meditatie deel uit van de Cursus?’ Want veel studenten die met de Cursus beginnen zijn ermee in contact gekomen via andere disciplines of spirituele strekkingen en waarin de nadruk gelegd wordt op mediteren.
In werkelijkheid vormt meditatie niet een belangrijk onderdeel in het verloop van de Cursus, niet op de gebruikelijke manier waarop men over meditatie denkt.
Het is echter wel zo dat bij het doen van het werkboek (een trainingsprogramma van één jaar) bijna elke les één of andere vorm van meditatie is. Er wordt ons gevraagd om stil te zijn.
Direct bij de start van het werkboek is dit één tot twee minuten, soms drie minuten. Na verloop van tijd echter zegt Jezus o.a. in een passage dat ‘je zal zien dat een half uur met God doorbrengen nog te kort is’ (Wd1.153.15:5). Die tijd van stilte waarin men in de denkgeest zoekt (het onderzoek dat een integraal deel uitmaakt van het verloop van het werkboek) naar alle blokkades, alle gedachten van boosheid, schuld, angst, bezorgdheid, enz. die onze herinnering aan God verstoren, is meditatie een manier om dat te doen. En wanneer onze denkgeest dan, na verloop van tijd steeds rustiger en stiller wordt dan wordt ons enkel nog gevraagd om stil te zitten en dan komen de gedachten van de werkboeklessen, komen de Gedachten van God Zelf, in ons naar boven.
Maar afgezien hiervan, gezien dit een trainingsprogramma is over één jaar, maakt de ‘officiële’ meditatie niet alleen geen deel uit van het proces van de Cursus, maar is in vele opzichten zelfs schadelijk ervoor.
In het Handboek voor Leraren is er een passage die handelt over hoe een leraar van God zijn dag moet doorbrengen en waar Jezus er speciaal voor waarschuwt dat onze stille momenten van meditatie of gebed geen ritueel mogen worden. (HvL.16.2:5). Namelijk, dat wanneer men denkt dat: ‘wanneer ik mijn dag niet begin met een meditatie van een dertigtal minuten, wanneer ik niet op een welbepaalde manier zit, wanneer ik geen kaarsje brand, wanneer ik geen wierookstokje aansteek, enz., enz., dan is mijn dag op een of andere manier geruïneerd.’

Inderdaad, de training die Jezus ons geeft, om het maar met die woorden uit te drukken, zijn training bestaat erin dat wij ons de hele dag door in een soort meditatieve staat bevinden. Niet in de zin dat we de wereld negeren of onze ogen sluiten of ergens stil in een hoekje zitten, maar dat we gedurende de dag ons voortdurend bewust zijn van zijn aanwezigheid zodat wanneer we onrustige gedachten opmerken, gedachten van schuld, bezorgdheid, angst, depressie, pijn of gelijk welke vorm van speciaalheid, dat we ons er dan bewust van worden dat er een aanwezigheid in onze denkgeest is die geestelijk wel gezond is, die weldenkend is, omdat we op dat ogenblik niet echt gezond denken. En dat we naar die ‘juist gericht’ denkende aanwezigheid, die stille aanwezigheid van vergeving en liefde al onze verontrustende gedachten zouden brengen, al onze ego-gedachten. Dat is de meditatie.

Telkens en telkens weer zegt Jezus ons dat dit een zeer praktische cursus is. Met andere woorden, hij is bedoeld om toegepast te worden.
Wanneer ik dus geloof dat de enige manier waarop ik Gods Aanwezigheid kan voelen, of de aanwezigheid van Jezus kan voelen, is door stil te zijn, wat zal ik dan doen wanneer ik in een verkeersopstopping zit en plots merk dat ik te laat zal zijn voor een belangrijke afspraak en mijn ongerustheid begint te groeien, mijn frustratie wordt groter en mijn boosheid op de andere chauffeurs neemt toe? Dan kan ik de wagen niet zo maar stoppen en ‘mediteren’.

Wat ons dus in de Cursus geleerd wordt is, nogmaals, om voortdurend bewust te zijn van deze aanwezigheid van Jezus of de Heilige Geest, een aanwezigheid die er toe dient om al mijn ego-gedachten te corrigeren.

Dus nogmaals, wanneer ik vast zit in een file of ik zit in een vergadering die een heleboel boosheid of angst bij mij naar boven brengt en ik kan mij niet op één of andere manier in stilte terugtrekken, dan weet ik nu dat ik wel degelijk stil kan zijn, zelfs in het heetst van de strijd in de vergadering of tijdens de verkeersopstopping of wat er gebeurt in de wereld. Ik kan stil zijn. En om het te zeggen in de woorden van een werkboekles: ‘ik kan in plaats hiervan vrede zien.’ (Wd1.34) En dat ik in plaats hiervan vrede kan zien omdat vrede altijd aanwezig is in mijn denkgeest en voortdurend wacht op mijn verschuiving, naar die vrede in mijn denkgeest, door de identificatie van de keuzemaker in mijn denkgeest te veranderen van het ego en mijn identificatie in de vrede leg van de Heilige Geest en in Zijn denksysteem van vergeving.

In principe, nogmaals, is dit geen Cursus in meditatie. In feite wijst het deel in hoofdstuk 18 ‘Ik hoef niets te doen.’ hier in het bijzonder op (T18.VII) en is het waar Jezus zegt dat dit geen cursus is in meditatie of contemplatie.

Hij is zeker niet gekant tegen meditatie wanneer je dat behulpzaam vindt. Dat zou natuurlijk dom zijn. Maar wat hij wel zegt is dat wij niet mogen toestaan dat wij er een speciale band mee krijgen waarin we zouden voelen, zoals ik in het begin reeds heb aangehaald, dat we een meditatieve periode moeten hebben om ons rustig te kunnen voelen gedurende de dag of dat we anders de dag niet aankunnen.

Het is veeleer training, om het nog maar eens te herhalen, om, gedurende de hele dag, te oefenen, vanaf het ontwaken tot we terug gaan slapen, om in een niet aflatende meditatie te zijn waarin we ons voortdurend bewust zijn van de liefdevolle aanwezigheid van Jezus en zijn denksysteem van vergeving.