dinsdag 9 oktober 2018

Les 56



(1) Mijn aanvalgedachten zijn een aanval op mijn onkwetsbaarheid. (26)

(1:2) Hoe kan ik weten wie ik ben wanneer ik mezelf voortdurend aangevallen zie?

Als Zoon van God ben ik totaal onkwetsbaar, maar in mijn identificatie met het ego zie ik mezelf als kwetsbaar omdat schuld om straf vraagt en omdat ik voel me een slachtoffer door de tegenaanval van God die ik verwacht al ben ik me daar niet bewust van. Wanneer ik geloof dat iedereen mij zal aanvallen dan kan ik niet zijn zoals God mij heeft geschapen: onschuldig en onkwetsbaar. Dus redeneert het ego als het kan bewijzen dat de Zoon van God wel kwetsbaar is – het doel van het lichaam – hoe kan ik dan de Zoon van God zijn? Deze redenatie is duidelijk voorgesteld in de volgende passage uit ‘Wat is het lichaam?’ iets waar we veel later nog veel op zullen terugkomen:

De voorbijgaande aard van Gods Zoon is immers het ‘bewijs’ dat zijn omheiningen werken en de taak uitvoeren die zijn denkgeest ze toebedeelt. Want als zijn éénzijn nog steeds onaangetast was, wie zou dan kunnen aanvallen en wie zou aangevallen kunnen worden? Wie zou overwinnaar kunnen zijn? En wie diens prooi? Wie zou slachtoffer kunnen zijn? En wie de moordenaar? En als hij niet doodging, welk ‘bewijs’ is er dan dat Gods eeuwige Zoon kan worden vernietigd? (Wd2. 5.2:3-9)

(1:3) Pijn, ziekte, verlies, ouderdom en dood lijken me te bedreigen.

Het is essentieel dat wij ons realiseren dat we in een wereld van pijn, ziekte, verlies, ouderdom en dood leven, een wereld die bedachtzaam is gekozen door onze ego’s om te bewijzen dat het denksysteem van afscheiding juist is en dat de Verzoening van de Heilige Geest verkeerd is.

(1:4-5) Al mijn hoop, al mijn wensen en plannen lijken overgeleverd aan de genade van een wereld waarover ik geen controle heb. Toch zijn volmaakte veiligheid en volledige vervulling mijn erfgoed.

Jezus verwijst hier naar de gespleten denkgeest en naar het feit dat we de keuze kunnen maken om onszelf te zien in een staat van constante verschrikking, angst en kwetsbaarheid of in een staat van voortdurende veiligheid. Wij zijn niet ‘overgeleverd zijn aan de genade van dingen buiten ons bereik, van krachten waarover we geen controle hebben’ want de waarheid is dat ons ‘Zelf de bestuurder is van het universum’ (Wd2. 253)

(1:6-8) Ik heb geprobeerd mijn erfgoed weg te geven in ruil voor de wereld die ik zie. Maar God heeft mijn erfgoed veilig voor mij bewaard. Mijn eigen werkelijke gedachten zullen mij leren wat het is.

Het kan niet genoeg gezegd worden dat om tot bij onze werkelijke gedachten te komen we eerst onze onwerkelijke gedachten moeten loslaten en dat kunnen we niet doen wanneer we niet weten dat die zo zijn. We kunnen dit echter wel leren door te begrijpen dat de wereld die we waarnemen de wereld is die wij gemaakt hebben en daarom onwerkelijk gezien ze een projectie is van onze onwerkelijke gedachten van afscheiding en schuld. Onze echte erfenis is een geliefd en waardevol Kind van God, niet het kind van het ego van schuld en angst. Zoals Jezus besluit in ‘de schat van God’:

Wat God voor jou gewild heeft is van jou. Hij heeft Zijn Wil geschonken aan Zijn schat, wiens schat dit is. Jouw hart is waar jouw schat is, evenals het Zijne. Jij die door God bemind bent, bent volkomen gezegend. Neem dit van mij aan en bevrijd de heilige wil van al degenen die even gezegend zijn als jij. (T. 8. VI. 10:1-4)

(2) Ik wil niets liever dan zien. (27)

(2:2-6) Omdat ik inzie dat wat ik zie een weerspiegeling is van wat ik denk te zijn, besef ik dat visie mijn grootste behoefte is. De wereld die ik zie, getuigt van het angstwekkende karakter van het zelfbeeld dat ik heb gevormd. Als ik mij herinneren wil wie ik ben, is het noodzakelijk dat ik dit beeld van mezelf laat gaan. Wanneer dit door de waarheid wordt vervangen, zal visie mij zeker worden geschonken. En met deze visie zal ik met mildheid en liefde de wereld en mezelf beschouwen.

Jezus komt telkens weer terug op hetzelfde centrale gedachtegoed dat onze waarnemingen een weerspiegeling zijn van ons zelfbeeld van of een kind van God of een kind van het ego. Visie corrigeert deze slechte en angstige mispercepties van het ego door onze Identiteit als spirit te weerkaatsen. Visie maakt dus het egodenksysteem ongedaan. Zoals we kunnen lezen in de tekst: het ego spreekt altijd als eerste (T. 5. VI. 3:5) en de Heilige Geest is het Antwoord:

Het ego spreekt een vonnis uit en de Heilige Geest herroept die beslissing, ongeveer zoals een hoger gerechtshof in deze wereld de macht heeft om beslissingen van een lager hof te herroepen. De beslissingen van het ego zijn altijd verkeerd, omdat ze gebaseerd zijn op de vergissing ter instandhouding waarvan ze genomen werden. (T. 5. VI. 4:1-2)

Met visie die de plaats van het oordeel heeft ingenomen kijken wij uit op een wereld van eenheid, vrede en liefde, ongeacht wat onze fysieke ogen waarnemen.

(3) Ik wil niets liever dan anders zien. (28)

(3:2-3) De wereld die ik zie, houdt mijn angstwekkende zelfbeeld in stand en garandeert de voortzetting ervan. Zolang ik de wereld zie zoals ik die nu zie, kan de waarheid niet tot mijn bewustzijn doordringen.

Het doel van deze geprojecteerde wereld is om mijn zelfbeeld van angst en schuld in stand te houden. Dit blikt vooruit op een belangrijke uitspraak in deel 2 van het werkboek en dat spreekt over onze niet-vergeven gedachten:

Een niet-vergevende gedachte is er een die een oordeel velt dat ze niet in twijfel trekt, ook al is het niet waar. De denkgeest is gesloten en zal niet worden bevrijd. De gedachte beschermt projectie en trekt haar ketenen strakker aan, zodat vervormingen meer versluierd en verborgen zijn, minder makkelijk toegankelijk voor twijfel en verder weggehouden van gezond verstand. Wat kan er komen tussen een starre projectie en het doel dat ze als haar gewenste bestemming gekozen heeft? (Wd2. 1.2)

Dus stellen onze projecties ons ego in staat het zelfbeeld van afscheiding en haat te bewaren gezien dat beeld nu buiten de geest, die zijn oorsprong is, waargenomen wordt. Het is dit zelfbeeld dat zegt dat ik een individu ben, een individualiteit die ik verworven heb ten koste van zonde. Deze zonde vraagt om straf en daarvoor ben ik bang. Door mijn projectie geloof ik dat ik niet de bron van deze angst in mij is, maar ergens buiten mij te vinden is. Wanneer ik mijn perceptie niet in vraag stel dan is er ook geen behoefte aan een antwoord die de Heilige Geest me anders wel kan geven.

(3:4) Ik wil graag dat de deur achter deze wereld voor mij geopend wordt, zodat ik daarachter de wereld kan zien die een weerspiegeling is van de Liefde van God.
Degene die de deur voor ons open doet is Jezus, maar we moeten hem daar wel de kans toe geven. We doen dit door hem om hulp te vragen om onze illusies van aanval naar zijn waarheid van de vergeving te brengen. De werkelijke wereld van totale vergeving weerspiegelt dan de Liefde van God.

(4) God is in alles wat ik zie. (29)

(4:2-4) Achter elk beeld dat ik heb gevormd, blijft de waarheid onveranderd. Achter elke sluier die ik neergelaten heb over het gelaat van de liefde, blijft het licht daarvan ongetemperd. Achter al mijn waanzinnige wensen ligt mijn wil, verenigd met de Wil van mijn Vader.

Van les één tot en les vijftig wordt de aard van ons juist-gericht denken benadrukt. Ons onjuist-gericht denken is gevuld met gedachten van aanval: ziekte, lijden, dood, moord en oordeel. Hij helpt ons bewust te worden dat deze gedachten iets anders bedekken.

(4:5-6) God is nog altijd en voorgoed overal en in alles. En wij die deel zijn van Hem, zullen uiteindelijk voorbijzien aan alle verschijningsvormen en de waarheid herkennen achter elk.

Jezus verzekert ons ‘dat de uitkomst zo zeker is als God.’ (T. 2. III.3:10) omdat we de juiste keuze zeker zullen maken, zoals elke goede Plato-nist zou doen, tussen wat schijnbaar is en het werkelijke. Onze verwoede pogingen om het tegendeel te bewijzen blijft machteloos en we kunnen onze schitterende waarheid dat we blijven zoals God ons heeft geschapen, niet veranderen.

(5) God is in alles wat ik zie, want God is in mijn denkgeest. (30)

(5:2-5) In mijn eigen denkgeest, achter al mijn waanzinnige gedachten van afscheiding en aanval, ligt de kennis dat alles eeuwig één is. De kennis van Wie ik ben, heb ik niet verloren door die te vergeten. Ze is voor mij bewaard in de Denkgeest van God, die Zijn Gedachten niet verlaten heeft. En ik, die daartoe behoor, ben één daarmee en één met Hem.

Voor ons bewaard door de Heilige Geest is de herinnering van de kennis dat we nooit werkelijk afgescheiden zijn van God. Vroeg in de tekst zegt Jezus: ‘iets verliezen wil daarom niet zeggen dat het weg is. Het wil eerder zeggen dat jij je niet meer herinnerd waar het is (T. 3. VI. 9:3-4).
Hetzelfde geldt ook hier. Ook al zijn we de kennis van wie we zijn en van onze Bron vergeten, toch wil dit niet zeggen dat Zijn Liefde niet aanwezig is in onze denkgeesten. Een Cursus in Wonderen staat bol van deze geruststellingen. Hier zijn er twee:

Wat de Vader geschapen heeft, bewaart Hij veilig. Je kunt het niet beroeren met de valse ideeën die jij hebt gemaakt, omdat het niet door jou werd geschapen. Laat je niet door je dwaze hersenschimmen verschrikken. Wat onsterfelijk is kan niet worden aangevallen; wat slechts tijdelijk is heeft geen gevolg. (T. 24. VII. 5:1-4)

Je kunt het éénzijn uit het oog verliezen, maar niet de werkelijkheid ervan ten offer brengen. Ook kun je wat je wilt offeren niet verliezen, noch de Heilige Geest van Zijn taak afhouden jou te laten zien dat het niet verloren is gegaan. (T. 26. I. 6:1-2)

zondag 7 oktober 2018

Les 55 – De herhaling van vandaag houdt het volgende in


(1) Ik ben vastbesloten de dingen anders te zien. (21)

Jezus doet hier onmiddellijk een beroep op de kracht van ons denken, namelijk het maken van een keuze.

(1:2) Wat ik nu zie, zijn slechts de tekenen van ziekte, rampspoed en dood.
Wanneer we dit niet herkennen zullen we ook geen motivatie hebben om ons denken te veranderen.

(1:3-5) Dit kan niet zijn wat God voor Zijn geliefde Zoon geschapen heeft. Alleen al het feit dat ik zulke dingen zie, is het bewijs dat ik God niet begrijp. Daarom begrijp ik ook Zijn Zoon niet.

Erkennen dat wat we zien ‘tekenen van ziekte, ramp en dood zijn’ is het begin van een nederigheid die tot Wijsheid reikt. Door het ontkennen van het denksysteem van het ego van ontkenning worden we stap voor stap door Jezus geleid in het begrip dat liefde en haat, leven en dood, vreugde en pijn elkaar uitsluitende toestanden zijn. Het ene werkelijk maken is het ander ontkennen.

(1:6-7) Wat ik zie, zegt mij dat ik niet weet wie ik ben. Ik ben vastbesloten de getuigen te zien van de waarheid in mij, in plaats van degene die mij een illusie van mezelf tonen.

Wanneer we het verschil kennen tussen vorm en inhoud leren we zien met de visie van Christus die ons eraan herinnerd wie we zijn, samen met onze broeders, als de enige Zoon van God.

(2) Wat ik zie is een vorm van wraak. (22)

(2:2-3) De wereld die ik zie is beslist niet de weergave van liefdevolle gedachten. Ze is er een beeld van hoe alles alles aanvalt.

De wereld die we zien is een aanval op ‘alles en iedereen’. Wanneer we denken een liefdevolle wereld te zien zullen we denken dat er enkel liefdevolle gedachten in ons zijn en vergeten we te kijken naar onze liefdeloze gedachten. Hierdoor blijven deze liefdeloze gedachten onbewust in onze denkgeest. Als deze op de oppervlakte komen proberen we er ons los van te maken via de dynamiek van projectie. En gezien we ons er niet bewust van zijn dat de bron van ervan de liefdeloze gedachten in onze denkgeest zijn we er ons ook niet bewust van dat wij dit doen. Het is dus belangrijk om de wereld te zien voor wat hij is en de bron ervan erkennen.

(2:4-6) Ze is allesbehalve een weerspiegeling van de Liefde van God en de Liefde van Zijn Zoon. Het zijn mijn eigen aanvalgedachten die dit beeld doen ontstaan. Mijn liefdevolle gedachten zullen mij verlossen van deze waarneming van de wereld en mij de vrede geven die God voor mij heeft bestemd.

De liefdeloze aard van de wereld wordt onmiskenbaar verwoordt door Jezus: ‘Ze is allesbehalve een weerspiegeling van de Liefde van God en de Liefde van Zijn Zoon.’
De laatste zin is zorgvuldig samengesteld: ‘Mijn liefdevolle gedachten zullen mij verlossen van deze waarneming van de wereld’. Het probleem is dus mijn perceptie van de wereld en niet de wereld. Ziekte, ramp en dood bestaan niet buiten mij maar enkel in een denkgeest die vervuld is van schuld, haat en onrust. Daarom moet de perceptie veranderd worden en niet de wereld:

‘Zoek niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen’. (T. 21. Inl. 1:7)

Onze perceptie wordt veranderd door terug te keren naar de bron van de geprojecteerde vorm in de denkgeest. Dan komen we bij de kracht van de denkgeest om te kiezen en te kiezen voor de liefdevolle gedachten van de Verzoening in plaats van de liefdeloze gedachten van afscheiding.

(3). Ik kan aan deze wereld ontsnappen door aanvalgedachten op te geven. (23)

(3:2-5) Hierin en in niets anders ligt verlossing. Zonder aanvalgedachten zou ik geen wereld vol aanval kunnen zien. Wanneer vergeving mij weer bewust laat worden van liefde, zal ik een wereld van vrede, vreugde en veiligheid zien. En dít verkies ik te zien in plaats van datgene waar ik nu naar kijk.

We worden niet verlost van de wereld of van een of ander abstract gevoel van zonde, maar van onze eigen gedachten. Om de ellende van de wereld te ontvluchten moeten we enkel samen met Jezus naar onze gruwelijke gedachten kijken. Samen met zijn vriendelijke glimlach naar de waanzin van het denksysteem van aanval van het ego zien we hoe deze gedachten langzaam ontbonden worden in hun eigen nietigheid. En als we naar buiten kijken nemen we enkel ‘vrede, veiligheid en vreugde’ waar. Een wereld die vorm gekregen heeft door vergeving.

(4). Ik zie niet wat mijn hoogste belang is. (24)

(4:2-) Hoe kan ik mijn hoogste belang onderkennen wanneer ik niet weet wie ik ben? Wat ik meen dat mijn hoogste belang is, kluistert me alleen maar meer aan de wereld van illusies.
Ik ben bereid de Gids te volgen die God mij gegeven heeft om te ontdekken wat werkelijk mijn hoogste belang is, omdat ik inzie dat ik dit niet uit mezelf kan zien.

Dat we dit niet zonder hulp kunnen doen is een belangrijk thema doorheen de hele Cursus in Wonderen. We kunnen niet zonder de hulp van de Heilige Geest of Jezus. Nederigheid zegt: ik weet het niet, ik begrijp het niet maar ik ben God dankbaar dat er Iemand in mij is die het wel weet en ik dank God dat Hij gelijk heeft en dat ik verkeerd ben.’ Daarom zegt Jezus dat hij ons evenzeer nodig heeft als wij hem nodig hebben (T. 8. V. 6:10): hij kan ons niet helpen tenzij wij hem om hulp vragen.
We zien hier het ‘samenwerkingsverband’ (T. 4. VI. 8:2): ‘Samen hebben we het licht dat het (het denksysteem van het ego) zal wegschijnen’ (T. 11. V.1:3). Jezus kan dit zonder ons niet tot stand brengen en wij kunnen het zeker niet zonder hem verwezenlijken!

(5) Ik weet van niets waartoe het dient. (25)

(5:2-3) Voor mij is het doel van alles, te bewijzen dat mijn illusies omtrent mezelf werkelijkheid zijn. Voor dit doel probeer ik alles en iedereen te gebruiken.

Alles wat we denken en alles wat we zien in de wereld heeft als doel te bewijzen dat we gelijk hebben. Dat is zelfs de reden waarvoor de wereld in de eerste plaats werd gemaakt: wat God gedaan heeft kunnen wij nog beter. Er zijn geen uitzonderingen in dit of-of denksysteem. Net zoals liefde en heelheid aan de zijde van de liefde geen uitzonderingen maken, maakt speciaalheid ook geen enkele uitzondering.  We hebben lief of we haten, we vergeven of we vallen aan, maar is er is niets tussenin. Zoals het verwoord wordt in een latere les: Laat me niet vergeten dat mijn zelf niets is, maar dat mijn Zelf alles is.’ (Wd2. 358. 1:7)

(5:4-6) En hiertoe geloof ik ook dat de wereld dient. Daarom herken ik haar werkelijke doel niet. Het doel dat ik aan de wereld gegeven heb, heeft tot een angstaanjagend beeld van haar geleid.

Ik heb de wereld gebruikt om mijn doel, te bewijzen dat ik gelijk heb, te vervullen, met andere woorden dat de illusie van mijn individualiteit de waarheid is. In mijn juist-gericht denken echter, begrijp ik hoe ik de wereld gebruikt heb om het doel van de aanval werkelijk te maken en te rechtvaardigen.

(5:7) Laat ik mijn denkgeest openstellen voor het werkelijke doel van de wereld, door het doel dat ik haar heb verleend terug te nemen en de waarheid over haar te leren.
Jezus noch Een Cursus in Wonderen kunnen dit voor ons doen, maar zij herinneren ons er wel aan om onze overtuigingen over de wereld terug te nemen. We moeten onze denkgeest openstellen door het doel dat we aan de wereld hebben gegeven, terug te nemen. Met andere woorden, zeggen (en het menen) dat wij het mis hebben. Alleen dan kunnen we het werkelijke doel van vergeving van de wereld herkennen, een pad dat ons terugleidt naar huis en dat door de kracht van ons denken om de keuze te maken voor God te kiezen in plaats van tegen Hem.

vrijdag 5 oktober 2018

Les 54 – Dit zijn de ideeën voor de herhaling van vandaag



(1) Ik heb geen neutrale gedachten. (16)

In deze les richt Jezus zich op de kracht van ons denken en onze gedachten. De reden dat we geen neutrale gedachten hebben is dat we hiermee een wereld maken van pijn, lijden en dood, een wereld waarin het lijkt dat God afwezig is. Vanuit het juist gerichte denken zijn onze gedachten even krachtig.

(1:2-4) Neutrale gedachten zijn onmogelijk, want alle gedachten bezitten kracht. Ze zullen ofwel een onechte wereld maken of mij naar de werkelijke wereld leiden. Maar gedachten kunnen niet zonder gevolgen zijn.

De tekst zegt het zo: ‘Al het denken produceert vorm op een of ander niveau’ (T. 2. VI. 9:14). Onze gedachten hebben gevolgen. Zij kunnen een wereld van speciaalheid maken of ons helpen om de werkelijke wereld te bereiken door het ongedaan maken van de wereld van het ego.

(1:5) Zoals de wereld die ik zie uit mijn denkfouten voortkomt, zo zal de werkelijke wereld voor mijn ogen verrijzen als ik mijn vergissingen corrigeren laat.

De werkelijke wereld, die het eindproduct is van de vergeving, is de staat van de denkgeest waarin alle egogedachten ongedaan zijn gemaakt. Het is de natuurlijke staat van de schuldeloze denkgeest die niet langer kiest voor het egodenksysteem van schuld.

(1:6-8) Mijn gedachten kunnen niet noch waar, noch onwaar zijn. Ze moeten óf het een óf het ander zijn. Wat ik zie, toont mij wat ze zijn.

En het principe van de een of de ander. We hebben niet de Hemel en de hel of de hel en de Hemel. Ze sluiten elkaar uit. Dit is de onderliggende metafysische aanname van Een Cursus in Wonderen, de hoeksteen van zijn denksysteem: er is enkel God en er is niets anders. Wanneer we geloven dat er iets anders is dan geloven we dat er geen God is. De manier waarop we weten voor welke gedachten we in onze denkgeest hebben gekozen is door waakzaam en met Jezus naast ons onze waarnemingen van de wereld gade te slaan. Ze zullen ofwel een weerspiegeling zijn van de Hemel of van de hel, van de waarheid of valsheid.

(2:1)  Ik zie geen neutrale dingen. (17)

(2:2-6) Wat ik zie, getuigt van wat ik denk. Als ik niet dacht, zou ik niet bestaan, want leven is denken. Laat ik naar de wereld die ik zie kijken als de weergave van mijn eigen staat van denken. Ik weet dat de staat van mijn denken kan veranderen. En dus weet ik tevens dat de wereld die ik zie ook veranderen kan.

Jezus komt herhaaldelijk terug op dit thema. Het mooie aan deze herhaling is hoe op een beknopte manier de grotere thema’s van de eerste 50 lessen verweven worden met als belangrijke: ‘Laat ik naar de wereld die ik zie kijken als een weergave van mijn eigen staat van denken.’ Analoog in de tekst: ‘(de wereld is ) de uiterlijke weergave van mijn innerlijke toestand. (T. 21. Inl. 1:5)
We kunnen de wereld niet veranderen maar we kunnen wel onze gedachten over de wereld veranderen. De wereld die ik zie kan ook veranderen.

(3:1) Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn zien. (18)

(3:2-4) Als ik geen privé-gedachten heb, kan ik geen privéwereld zien. Zelfs het dwaze idee van de afscheiding moest gedeeld worden voor het de basis kon vormen van de wereld die ik zie. Maar dat delen was een delen van niets.

En ook al is het ‘een delen van niets’, het wil niet zeggen dat we het niet geloven. We weten dat vergeving het centrale thema is in Een Cursus in Wonderen. Door jou te vergeven weerspiegel ik dat jij en ik geen afzonderlijke belangen hebben omdat we dezelfde behoefte delen om te ontwaken uit de droom van afscheiding, schuld en haat. Het keert het proces van verdeeldheid van het ego om. Zoals het in de tekst benadrukt wordt: wanneer ik jou totaal vergeef, staan er duizenden achter jou en achter elk van hen staan er weer duizend. (T. 27. V. 10:4).

(3:5-7) Ik kan ook een beroep doen op mijn werkelijke gedachten die alles met iedereen delen. Zoals mijn gedachten van afscheiding appelleren aan de afscheidingsgedachten van anderen, zo doen mijn werkelijke gedachten de werkelijke gedachten ontwaken in hen. En de wereld die mijn werkelijke gedachten mij tonen, zal zowel voor hun als voor mijn ogen dagen.

Door de keuze voor het juist gerichte denken te maken herinneren we eraan dat die keuze ook door jou gemaakt kan worden. Een passage in het Handboek voor Leraren vat dit prachtig samen voor ons:

Gods leraren komen tot hen (zij die ziek zijn) als vertegenwoordigers van een andere keuze die zij vergeten waren. De eenvoudige aanwezigheid van een leraar van God is een herinnering. Zijn gedachten vragen het recht om te betwijfelen wat de zieke als waar heeft aangenomen. Als Gods boodschappers zijn Zijn leraren het symbool van verlossing. Ze vragen de zieke om vergeving voor de Zoon van God in dienst eigen Naam. Ze vertegenwoordigen het Alternatief. Met Gods Woord in hun gedachten komen zij al zegenend, niet om de zieken te genezen, maar om hen de remedie in herinnering te brengen die God hun al gegeven heeft. Het zijn niet hun handen die genezen. Het is niet hun stem die het Woord van God spreekt. Ze geven louter wat hun gegeven is. Heel vriendelijk roepen ze hun broeders op zich af te keren van de dood: ‘Aanschouw, jij Zoon van God, wat het leven jou bieden kan. Zou jij in plaats hiervan ziekte willen kiezen? (HvL. 5. III. 2)

Maar dit proces werkt ook in de omgekeerde richting: mijn afgescheiden gedachten doen een oproep tot de afgescheiden gedachten in jou. De uitdrukking van mijn beslissing die ik maakte ten gunste van het ego, oordeel, aanval, bezorgdheid en angst, vertellen jou dat jij gelijk hebt in je overtuiging dat je afgescheiden bent aangezien ik het aantoon dat je het bent. Mijn boosheid bevestigd dat jij gelijk hebt, net zoals mijn speciale liefde en mijn afhankelijkheid doen. Jij wil van mij dat ik bevestig dat je gelijk hebt en ik wil dat jij voor mij hetzelfde doet. Dit zijn de ‘geheime geloften’ die we iedereen maken om onze waanzin te versterken zoals Jezus ons in de tekst uitlegt in de context van ziekte:

Dit is de geheime gelofte die jij hebt afgelegd, met elke broeder die zijn eigen weg wil gaan. Dit is de geheime eed die jij telkens hernieuwt wanneer jij jezelf als aangevallen beschouwt. Niemand kan lijden tenzij hij zichzelf aangevallen ziet en ziet verliezen door die aanval. Iedere gelofte aan ziekte ligt onuitgesproken en onvernomen in het bewuste. Toch is het een belofte aan een ander om door hem te worden gekwetst en hem aan te vallen in ruil daarvoor.
Ziekte is woede afgereageerd op het lichaam, zodat het pijn zal lijden. Ze is het onmiskenbare gevolg van wat in het geheim werd gesmeed, in overeenstemming met de geheime wens van een ander om van jou gescheiden te zijn, zoals jij van hem gescheiden wilt zijn. Als jullie er niet allebei mee instemmen dat dit jullie wens is, kan die geen gevolgen hebben. (T. 28. VI. 4:3-5:3)

Nochtans vertelt Jezus ons ook dat wij het juist-gericht denken in iedereen kunnen versterken:

Al wie stelt: ‘Er is geen kloof tussen mijn denkgeest en de jouwe,’ heeft Gods belofte gehouden, niet zijn eigen nietige eed om voor eeuwig trouw te zijn aan de dood. En door zijn genezing is zijn broeder genezen.
Laat dit jullie overeenkomst met elkaar zijn: dat jij één met hem bent en niet van hem gescheiden. En hij zal de belofte nakomen die jij samen met hem aflegt, want dat is die welke hij God heeft gedaan, zoals God die hem heeft gedaan. God houdt Zijn beloften; Zijn Zoon die van hem. (T. 28. VI. 5:4-6:3)

Dus wanneer ik Jezus in plaats van het ego als mijn leraar kies en ik laat mijn grieven los door vergeving dan leer ik dat er ook in jou een juist-gericht denken is en in dat moment ben ik voor jou een genezend voorwerp geworden. Ik hoef je niets te zeggen noch te prediken. Ik hoef niets te doen. Meer zelfs jij kan al twintig jaar geleden gestorven zijn. Want aangezien denkgeesten verbonden zijn heeft vergeving niets te maken met lichamen. Jij als een gedachte en ik als een gedachte zijn nog steeds verenigd. Telkens ik kies om mijn grieven tegenover jou los te laten, zend ik een duidelijke boodschap uit die zegt: ‘Ontwaak uit de droom van de dood.’ Deze boodschap bezorgen is onze functie.

(4:1) Ik ben niet de enige die de gevolgen ervaart van mijn gedachten. (19)

(4:2-3) Ik ben in niets alleen. Alles wat ik denk of zeg of doe onderricht heel het universum.

‘Heel het universum’ is het universum van het Zoonschap in mijn denkgeest die met iedereen is verenigd. Er is maar, slechts één denkgeest en ik kan denken, praten of mij gedragen vanuit de Heilige Geest of vanuit het ego.

(4:4-6) Een Zoon van God kan niet vruchteloos denken of spreken of handelen. Hij kan in niets alleen zijn. Het ligt daarom in mijn macht om ieders denken tezamen met het mijne te veranderen, want aan mij is de macht van God.

Dit betekent niet dat ik letterlijk jouw denken kan veranderen. Ik kan dienen als een voorbeeld van iemand die het denken van zichzelf veranderd heeft en realiserend dat dit ‘zelf’ ons allemaal betreft. Ook Jezus kan dit niet voor ons doen. Hij kan onze leraar of voorbeeld zijn, ons tonen dat er een andere keuze is die we kunnen maken, maar hij kan die keuze niet voor ons maken. Jezus legde dit vroeg in zijn dictaat aan Helen uit - en daarom aan ons allemaal -, in de context van haar vraag aan hem om haar angst van haar weg te nemen. Zijn antwoord was een vooruit beschouwing van alles wat hij met Een Cursus in Wonderen wou leren, want hij benadrukte de kracht van het denken van Helen om of voor angst te kiezen of ertegen en dat hij die kracht van haar denken niet kon en wou wegnemen door voor haar een keuze te maken:

Je kunt wel blijven klagen over angst, maar desondanks volhard je erin jezelf bang te maken. Ik heb al te kennen gegeven dat je mij niet kunt vragen jou van je angst te bevrijden. Ik weet dat die niet bestaat, maar jij niet. Als ik tussen jouw gedachten en hun uitwerking zou komen, zou ik tornen aan een elementaire wet van oorzaak en gevolg, de meest fundamentele wet die er is. Ik zou jou allerminst helpen als ik de kracht van je eigen denken zou kleineren. Dit zou lijnrecht ingaan tegen het doel van deze cursus. Het is veel nuttiger jou eraan te herinneren dat jij je gedachten niet zorgvuldig genoeg bewaakt. (T. 2. VII. 1:1-7)

(5:1) Ik ben vastbesloten te zien. (20)

(5:2-3) Nu ik onderken dat mijn gedachten altijd met anderen worden gedeeld, ben ik vastbesloten te zien. Ik wil naar de getuigen kijken die me tonen dat het denken van de wereld is veranderd.

De getuigen waar ik naar kijk zijn de getuigen die ik uitgezonden heb. Dit is een indirecte verwijzing naar ‘de aantrekkingskracht van schuld’ in de ‘blokkades voor vrede’ (T. 19. IV. A. i). We zenden boodschappen uit van of liefde of angst en dat wat we uitzenden zien we ook buiten ons en worden de getuigen die ons tonen waarvoor we hebben gekozen. Wanneer we boos zijn of van streek, koppig of een driftbui hebben, dan zegt ons dat dat we boodschappen van schuld, angst, haat en vooral afscheiding hebben uitgezonden. En het zijn deze uiterlijke getuigen die we echt maken in onze waarneming, buiten ons zien eerder dan ze binnen in ons te erkennen. Een andere stuk in de tekst stelt de belangrijke rol die onze waarnemingen spelen in genezing, voor. Door de getuigen in de wereld die ik waarneem te observeren, wordt mij geleerd ze te zien als een weerspiegeling van een keuze die ik in mijn denkgeest heb gemaakt. Pas dan kan ik de kracht van het denken erin oefenen om van keuze te veranderen:

Verdoeming is jouw oordeel over jezelf en dit zal jij op de wereld projecteren. Zie haar als verdoemd en het enige wat je ziet is wat jij gedaan hebt om de Zoon van God te pijnigen. Als je onheil en rampspoed ziet, heb je geprobeerd hem te kruisigen. Als je heiligheid en hoop ziet, heb jij je met Gods Wil verbonden om hem te bevrijden. Er ligt geen keuze tussen deze twee beslissingen in. En je zult de getuige zien voor de keuze die jij hebt gemaakt en hieruit leren aflezen welke jij gekozen hebt. (T. 21. Inl. 2:1-6)

(5:4-5) Ik wil het bewijs aanschouwen dat wat via mij is gedaan, gemaakt heeft dat liefde de plaats kon innemen van angst, lachen de plaats van tranen en overvloed de plaats van verlies. Ik wil de werkelijke wereld zien en díe mij laten leren dat mijn wil en de Wil van God één zijn.

We zullen weten welke keuze we gemaakt hebben wanneer we zorgvuldig aandacht geven aan wat we rondom ons waarnemen. We kunnen er niet genoeg aan herinnerd worden dat waarneming geen objectief feit is, maar altijd een interpretatie. Wanneer Een Cursus in Wonderen ons leert om te kijken naar wat we waarnemen dan heeft Jezus het niet over naar buiten kijken en een bureau zien of een boek, een boom of een persoon. We worden eerder geleerd om te kijken naar de manier waarop we voorwerpen, mensen en situaties waarnemen. Met andere woorden zien we het bewijs van het Verzoeningsprincipe of zien we het bewijs van afscheiding? Nogmaals, dat wat we zien laat ons zien welke keuze we in onze denkgeest hebben gemaakt. Waarnemingen van liefde of van een roep tot liefde weerspiegelen de keuze om de Verzoening te aanvaarden en deze overduidelijke keuze leidt ons naar de gelukkige herinnering van de Eenheid van God en Zijn Zoon.

woensdag 3 oktober 2018

Les 53 – Vandaag zullen wij het volgende herhalen:


We worden hier gewezen op de directe verbinding tussen onze gedachten en de wereld al heeft Jezus deze verbinding al reeds eerder gemaakt.

(1:1) Mijn betekenisloze gedachten laten mij een betekenisloze wereld zien. (11)

(1:2-4) Aangezien de gedachten waar ik me bewust van ben, niets betekenen, kan ook de wereld die daarvan de weergave is geen betekenis hebben. Datgene waardoor deze wereld wordt voortgebracht is waanzinnig en hetzelfde geldt voor wat zij voortbrengt. De werkelijkheid is niet waanzinnig en ik heb zowel werkelijke als waanzinnige gedachten.

Het zijn onze gedachten over zonde, speciaalheid, individualiteit enz. die deze wereld gemaakt hebben. Gezien onze waanzinnige gedachten de oorzaak van de wereld zijn is, als gevolg hiervan, de wereld ook waanzinnig. Oorzaak en gevolg zijn nooit afgescheiden omdat ze een en hetzelfde zijn. De werkelijkheid, echter, is niet waanzinnig ondanks het protest van het ego. Volgens het ego is God waanzinnig, wraakzuchtig en boos, maar ‘God denkt daar anders over’ (T. 23. I. 2:7). Zoals hij in de eerste 50 lessen heeft gedaan, legt Jezus ons uit dat we een gespleten denkgeest hebben die zowel onwerkelijke haatgedachten bevat als werkelijke gedachten van liefde. Het blijft aan ons om te kiezen welke wij werkelijk zullen maken. Bovendien helpt hij ons om ons er bewust van te worden hoe ellendig en ongelukkig we zijn wanneer we voor deze onwerkelijke gedachten van aanval, oordeel en speciaalheid kiezen. En het is die miserie die ons er uiteindelijk toe aan zal zetten om opnieuw te kiezen:

Je mag dan veel pijn kunnen verdragen, maar daaraan is een grens. Uiteindelijk begint iedereen in te zien, hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. Wanneer dit inzicht vastere grond krijgt, wordt het een keerpunt. (T. 2. III. 3:5-7)

(1:5) Daarom kan ik een werkelijke wereld zien, als ik mijn werkelijke gedachten bij mijn zien tot leidraad neem.

De wereld van visie. De innerlijke wereld waarin geen gedachten van afscheiding of oordeel zijn; de wereld van denken voorbij de droom van haat waarin we uiteindelijk de droom kunnen zien voor wat ze is. Vandaar uit is het slechts een ogenblik dat God naar beneden reikt en ons optilt tot Hem, de laatste stap van onze reis, zoals het in de tekst zo mooi verwoord wordt:

En dan zal je Vader Zich naar je toebuigen en de laatste stap voor jou zetten, door jou te verheffen tot Zichzelf. (T. 11. VIII. 15:5)

(2:1). Ik voel onvrede omdat ik een betekenisloze wereld zie. (12)

(2:2-7) Waanzinnige gedachten verstoren je vrede. Ze brengen een wereld voort waarin nergens orde is. Een wereld die een weergave van chaotisch denken is, wordt door niets dan chaos geregeerd en chaos kent geen wetten. In zo’n wereld kan ik niet in vrede leven. Ik ben dankbaar dat deze wereld geen werkelijkheid is en dat ik haar helemaal niet hoef te zien, tenzij ik besluit haar waarde te verlenen. En ik besluit geen waarde te verlenen aan wat totaal waanzinnig en zonder betekenis is.

In de ‘wetten van de chaos’ zet Jezus het woord ‘wetten’ tussen aanhalingstekens, erop wijzend dat het niet werkelijk wetten zijn omdat ze geen enkele betekenis hebben, de enige echte wetten zijn de wetten van God. Hier doet hij dat niet, maar de betekenis is dezelfde: chaos heeft geen wetten. Vooraleer we ervoor kunnen kiezen geen waarde te verlenen aan wat ‘totaal waanzinnig’ is moeten we accepteren dat de wereld totaal waanzinnig is. Dit helpt ons in het bewust worden dat de wereld ons niet gelukkig maakt. De uiteindelijke reden dat onze gedachten ons van streek brengen is de (onbewuste) herinnering aan onze oorspronkelijke waanzinnige gedachte die ons leidt naar straf zal leiden. Met deze dreigende woorden van het ego, afgebeeld in dit krachtig stuk uit het Handboek voor Leraren, lezen we het gevolg van onze waanzinnige afscheidingsgedachte die we in onszelf of in anderen herkennen:

Ze kunnen slechts de slapende schuld, die jij hebt weggestopt maar niet losgelaten, opnieuw wakker maken. Elk zegt duidelijk tot je angstige denkgeest: ‘Jij hebt je de plaats van God toegeëigend. Denk niet dat Hij dat vergeten is’ Hier zien we de angst voor God op zijn sterkst vertegenwoordigd. Want in die gedachte heeft schuld de waanzin al tot de troon van God Zelf verheven. En nu is er geen hoop meer. Behalve om te doden. Dit is nu verlossing. Een boze vader achtervolgt zijn schuldige zoon. Doden of gedood worden dat is hier immers de enige keus. Daarbuiten is er geen want wat gedaan werd kan niet ongedaan worden gemaakt. De bloedvlek kan nooit worden verwijderd en ieder die deze smet op zich draagt moet de dood smaken. (HvL. 17. 7:2-13)

Vergeving laat ons toe deze vernietigende waanzin te onderzoeken en helpt ons het te accepteren voor wat het is, een herkenning waarvoor we alleen maar diep dankbaar kunnen zijn omdat het wonder ons voorbij de waanzinnige magie leidt naar de zuivere heelheid van een eeuwig leven.

(3:1) Een betekenisloze wereld baart angst. (13)

(3:2-5) Wat totaal waanzinnig is, baart angst omdat het volkomen onbetrouwbaar is en geen enkele basis voor vertrouwen biedt. In waanzinnigheid valt niets te vertrouwen. Het biedt geen veiligheid en geen hoop. Maar zo’n wereld is geen werkelijkheid.

De enige werkelijkheid is de Hemel, volledig betrouwbaar: er is enkel God. Deze wereld, zoals we allemaal al hebben ervaren, is dit niet en werd gemaakt om zo te zijn. Het is door de schuld die geboren is uit een geloof in zonde dat we geloven dat er straf zal volgen. Het beste wat we kunnen doen is ons beschermen tegen een aanval met een variatie aan verdedigingen. Ze dienen enkel om de afscheiding in stand te houden. De vicieuze cirkels van schuld en aanval, van aanval en verdediging blijven dus steeds maar verder doorgaan. En blijven doorgaan tot het moment dat de aanname ervan wordt blootgesteld aan de waarheid.

(3:6-8) Ik heb haar de illusie van werkelijkheid verleend en heb geleden door mijn geloof daarin. Nu kies ik ervoor dit geloof terug te nemen en mijn vertrouwen te stellen in de werkelijkheid. Door hiervoor te kiezen zal ik ontsnappen aan alle gevolgen van de wereld van de angst, omdat ik erken dat die niet bestaat.

Het is essentieel dat we de verbinding leggen tussen ons lijden (het gevolg) en onze gedachten van oordeel, aanval en speciaalheid (de oorzaak). We kunnen de wereld van angst niet ontvluchten door gebruik te maken van onze wapens – pogingen tot controle, manipulatie en verleiding. We kunnen de wereld enkel controleren door ons te realiseren dat er geen wereld is. Wat we echter wel aan een controle moeten onderwerpen zijn onze gedachten zoals de tekst ons herinnert: ‘Je bent veel te tolerant tegenover het afdwalen van je denkgeest’ (T. 2. VI. 4:6). We kunnen iets doen aan onze onzekere gedachten. En dat moeten we ook want zij dienen het belangrijke doel om ons hier te houden, onze individualiteit, ons zelfconcept en ons bestaan. Het herkennen van dit doel van onze gedachten stelt ons in staat de kracht van de keuze aan te wenden om zo van de keuze voor het afscheidingsdoel van het ego te veranderen naar het doel van de Verzoening van de Heilige Geest. Door dit doel van het ego te veranderen ontsnappen we aan de gevolgen zoals pijn, zorg en angst.

(4:1) God heeft geen betekenisloze wereld geschapen. (14)

(4:2-6) Hoe kan er een betekenisloze wereld bestaan als God die niet geschapen heeft? Hij is de Bron van alle betekenis en alles wat werkelijk is bestaat in Zijn Denkgeest. Het bestaat ook in mijn denkgeest omdat Hij het met mij geschapen heeft. Waarom zou ik blijven lijden onder de gevolgen van mijn eigen waanzinnige gedachten wanneer de volmaaktheid van de schepping mijn thuis is? Laat ik me de kracht van mijn besluit herinneren en beseffen waar ik werkelijk verblijf.

Je kan zien hoe Jezus telkens weer terugkeert naar kernthema’s van deze lessen: werkelijkheid, illusie en de kracht van ons denken om tussen deze twee een keuze te maken. Dit is belangrijk omdat we vergeten zijn dat wij over een dergelijke keuzemogelijkheid beschikken. Het ego heeft een hele reeks verdedigingen opgezet zodat we ons niet zouden herinneren dat we over een denkgeest beschikken, laat staan een denkgeest die de mogelijkheid heeft tot kiezen. De twee gedachten die er zijn, zijn enerzijds het geloof van het ego dat het betekenisloze over het betekenisvolle zegeviert en anderzijds de Verzoening van de Heilige Geest die zegt dat de gedachte van het ego onwerkelijk is omdat ze buiten de Denkgeest van God is en dus geen enkel gevolg heeft. Ondanks onze droom van het tegengestelde blijven wij thuis in God.

(5:1) Mijn gedachten zijn beelden die ik heb gemaakt. (15)

(5:2-4) Alles wat ik zie is een weerspiegeling van mijn gedachten. Het zijn mijn gedachten die mij zeggen waar ik ben en wat ik ben. Het feit dat ik een wereld zie van lijden, verlies en dood, toont mij dat ik slechts de weergave zie van mijn waanzinnige gedachten en dat ik mijn werkelijke gedachten belet hun weldadig licht te werpen op wat ik zie.
De manier om onze denkgeest te veranderen is door de gevolgen van de verkeerde keuze te zien en de gruwel en verderf van de wereld waarin we leven erkennen.

(5:5-7) Toch is Gods weg zeker. De beelden die ik heb gemaakt, kunnen over Hem niet zegevieren, omdat het niet mijn wil is dat dit geschiedt. Mijn wil is de Zijne en ik zal voor Zijn aangezicht geen andere goden plaatsen.
Opnieuw herinnert Jezus ons aan de kracht van ons denken en om te kiezen tussen de illusie en de waarheid. De god van afscheiding, ziekte, lijden en dood van het ego heeft geen macht heeft over de Zoon van God die blijft zoals God hem geschapen heeft. God blijft God en geen enkele wilde fantasie kan Zijn plaats innemen, behalve dan in dromen. Onze wil heeft nooit opgehouden een te zijn met die van Hem en we zijn thuis waar God wil dat we zijn (T. 31. VIII. 12:8)

maandag 1 oktober 2018

en we gaan weer verder

Na een mooie, lange, hete zomer nemen we de draad weer op en gaan we verder daar waar we gestopt zijn: les 52: herhaling van de lessen 6 tot 10.


Les 52 - De herhaling van vandaag omvat deze ideeën:

De thema’s van de eerste lessen worden voortdurend in elkaar geweven. In deze set wordt vergeving geïntroduceerd.

(1:1). Ik voel onvrede omdat ik zie wat er niet is. (6)

(1:2-8) De werkelijkheid is nooit angstaanjagend. Ze kan onmogelijk mijn vrede verstoren. Werkelijkheid brengt louter volmaakte vrede. Wanneer ik onvrede voel, komt dat altijd doordat ik de werkelijkheid heb vervangen door illusies die ik zelf verzonnen heb. Die illusies verstoren mijn vrede, omdat ik ze werkelijkheid heb verleend en ik daardoor de werkelijkheid als een illusie beschouw. Niets in Gods schepping wordt ook maar enigszins door deze verwarring van mij beïnvloed. Ik raak altijd mijn vrede kwijt om niets.

We kunnen deze cursus niet bestuderen of in praktijk kunnen brengen wanneer we de onderliggende metafysica ervan niet begrijpen. Naarmate we verder gaan zien we hoe deze metafysica de hele tijd op de achtergrond aanwezig is.
Wanneer de buitenwereld gemaakt is door onze gedachten die in feite geen werkelijkheid hebben is het logische gevolg dat deze wereld ook geen werkelijkheid is. In de war geraken is dus voor niets nodig. De waarheid is echter dat wij bang zijn voor deze aanname. Dit betekent immers het einde van een waandenksysteem van afscheiding. Een denksysteem dat het waanzinnig idee inhoudt dat we apart kunnen bestaan en zijn van God. In de tekst leert Jezus ons dat we ‘niet echt bang zijn voor de kruisiging, maar dat onze echte doodsangst de verlossing betreft.’ (T. 13. III. 1:10-11).
Het ego echter zegt ons dat we bang moeten zijn voor de werkelijkheid en voor wat wij ermee gedaan hebben, namelijk de afscheiding van de liefde en bovendien de vernietiging ervan. Volgens het ego zijn we hiervoor en hierdoor schuldig en verdienen we straf voor deze zonde.
Het Verzoeningsprincipe van de Heilige Geest zegt ons echter dat de afscheiding van God nooit is gebeurd en er daarom ook niets is om bang voor te zijn. Er is niets gebeurd – ‘niet één noot in het lied van de Hemel wordt gemist’ (T. 26. V.5:4). Zonder een geloof in zonde kan er ook geen angst voor straf zijn. Bijgevolg is het denksysteem van het ego van zonde, schuld en angst een illusie, een fantasie.

(2:1). Ik zie alleen het verleden. (7)

(2:2-4) Wanneer ik om me heen kijk, veroordeel ik de wereld waarnaar ik kijk. Ik noem dit zien. Ik reken alles en iedereen het verleden aan en maak ze tot mijn vijand.

Wanneer we de metafysica van de Cursus begrijpen realiseren we ons dat deze regels waar zijn. Ons bestaan als individu is begonnen door van God onze vijand te maken. We hebben, als de ene Zoon, die gedachte geprojecteerd en een wereld gemaakt met miljarden en miljarden deeltjes. Het gevolg: een overwicht van het principe van ‘de een of de ander’, zowel in ons denken als in onze en ervaring. We kennen in onze wereld dan ook een speciale liefde en rekenen iedereen en alles het verleden aan en maken de ander tot onze vijand. En wat is het verleden? Zonde. We hebben in het verleden gezondigd, hebben dit naar buiten geprojecteerd en zien het daarom nu in iedereen. Wat we denken te zien – een wereld van afscheiding en zonde – bestaat echter niet in de werkelijkheid.

(2:5-7) Wanneer ik mezelf vergeven heb en me herinner Wie ik ben, zal ik wie of wat ik maar zie, zegenen. Er zal geen verleden zijn en daarom ook geen vijand. En ik zal met liefde kijken naar alles wat ik eerst niet zag.

Wanneer er niets anders dan de Zegen van God is in mijn denkgeest, dan is dit het enige wat ik kan zien. Wanneer ik mij bewust ben dat ik een kind ben van God leer ik in te zien dat ik niet afgescheiden ben van Hem en dat zonde niet bestaat. Zonder zonde is er ook geen verleden en kan ik niet langer vanuit deze instelling projecteren. Wat wel overblijft is de zegening van liefde over alle dingen gezien we onszelf gezegend hebben met de gedachte van de vergeving.

(3:1). Mijn denkgeest is voortdurend bezig met voorbije gedachten. (8)

(3:2-3) Ik zie alleen mijn eigen gedachten en mijn denkgeest is voortdurend bezig met het verleden. Wat kan ik dan zien zoals het is?

Zolang we geloven dat we afgescheiden en speciaal zijn is visie niet mogelijk. De achterliggende gedachte is de verborgen wens van het ego om voor altijd slachtoffer te zijn van omstandigheden waarover we geen macht lijken te hebben maar waar iets of iemand buiten ons aansprakelijk is. Het ego wil zijn stukje van de afscheidingscake blijven krijgen en geniet van elke hap van schuld.

(3:4) Laat me eraan denken dat ik naar het verleden kijk om te voorkomen dat het heden in mijn denkgeest daagt.

Blijven vasthouden aan het verleden en aan onze aanvalgedachten heeft als doel om ons weg te houden van het heden, van het heilig ogenblik en van het ‘dagen’ van de liefde van Jezus in onze denkgeest. In de aanwezigheid van zijn liefde kunnen we niet langer blijven bestaan als speciale en met haat gevulde individuen.

(3:5-6) Laat me begrijpen dat ik de tijd probeer te gebruiken tegen God. Laat me leren het verleden los te laten, in het besef dat ik zodoende niets opgeef.

Opnieuw zien we het doel van de wereld van tijd en ruimte. Het ego gebruikt de lineaire tijd – verleden (zonde), heden (schuld) en toekomst (angst)- als de manier om zijn onderliggend denksysteem opnieuw te bekrachtigen. Op die manier wordt het herinneren aan het Al verhinderd door het niets van het ego.

(4:1). Ik zie niets zoals het nu is. (9)

(4:2-4) Als ik niets zie zoals het nu is, kan inderdaad gezegd worden dat ik niets zie. Ik kan alleen zien wat nu is. De keuze is niet het verleden of het heden zien, de keuze is slechts: zien of niet zien.

We kunnen het verleden niet zien want er is geen verleden, geen zonde, geen afscheiding. Dus wat we denken dat we zien - wat ik me herinner uit het verleden en wat ik nu zie, is een projectie vanuit een zondig verleden.

(4:5) Wat ik verkoos te zien, heeft me mijn visie gekost.

En dit is precies de reden waarom ik gekozen heb om te zien! De visie van Christus weerspiegelt de Eenheid van Gods enige Zoon en ziet het Zoonschap als een, iedereen is hetzelfde, er zijn geen bijzondere of speciale mensen. Perceptie, anderzijds, is ontstaan door de behoefte om ons te verdedigen tegen deze kennis.

(4:6) Nu wil ik opnieuw kiezen, opdat ik kan zien.
Let op de terugkerende klemtoon die gelegd wordt op de kracht van ons denken om te kiezen. Zelfs als we nog niet klaar zijn om deze keuze te maken – wanneer visie ons nog teveel afschrikt - kunnen we op zijn minst de mogelijkheid erkennen dat we een keuze kunnen maken en onszelf vergeven dat we nog niet in staat zijn die keuze te maken.

(5:1). Mijn gedachten betekenen niets. (10)

(5:2-5) Ik heb geen privé-gedachten. Toch ben ik me alleen van privé-gedachten bewust. Wat kunnen deze gedachten betekenen? Ze bestaan niet en dus betekenen ze niets.

Mijn gedachten betekenen niets omdat het ‘mijn’ gedachten zijn. Ze zijn gesteund op afscheiding en exclusiviteit en zijn daarom gesteund op precies het tegenovergestelde van de Eenheid van de Hemel.

(5:6-7) Toch is mijn denkgeest deel van de schepping en deel van haar Schepper. Wil ik mij niet liever aansluiten bij het denken van het universum dan alles wat echt het mijne is te verdoezelen met mijn armzalige, betekenisloze ‘privé-gedachten’?

Belangrijk hier is dat Jezus het heeft over ‘alles wat echt het mijne is', niet wat ik denk dat het mijne is. Wat werkelijk het mijne is zijn de gaven van de Hemel: liefde, eeuwig leven, ware vrijheid en perfecte eenheid.
Het is duidelijk dat Jezus niet veel aan onze individualiteit denkt en hij vraagt ons om er zelf ook niet teveel aan te denken. Het probleem is echter dat wij er heel veel waarde aan toegekend hebben. Wanneer we oprecht met Een Cursus in Wonderen werken wordt het ons duidelijk hoeveel waarde we hieraan toegekend hebben, hoezeer we een autoriteitsproblemen hebben en hoezeer we niet willen dat iemand ons iets anders komt vertellen. Het is in feite arrogant om zo te denken en we moeten ons van deze arrogantie bewust worden zonder onszelf hiervoor te veroordelen, met andere woorden ons realiseren waar onze gedachten vandaan komen en bovendien dat ze een dwaze vergissing zijn.
Het is duidelijk dat Jezus ons voortdurend herinnerd aan de waarheid, maar ons niet veroordeelt voor onze illusies. Hij lacht soms een beetje om ons maar zijn houding is absoluut niet straffend. Hij zegt eenvoudig: ‘Zie alsjeblief in dat jij het mis hebt en dat ik gelijk heb. Zolang je in de andere richting blijft denken zal je niet gelukkig zijn. Ik ben niet degene die je wil straffen, jij straft jezelf. Ik wacht geduldig op jou, maar waarom zou je je geluk nog langer uitstellen?’ ‘Waarom nog langer wachten op de Hemel?’ (Wd1. 131. 6:1; Wd1. 188. 1:1)


donderdag 26 juli 2018

Les 51 - De herhaling voor vandaag omvat de volgende ideeën – deel 2


(4) Deze gedachten betekenen niets. (4)

(4:2) De gedachten waarvan ik mij bewust ben, betekenen niets omdat ik probeer te denken zonder God.

Dit is de basisregel. God wordt vertegenwoordigd door de Heilige Geest, Jezus of de gedachten van deze lessen. Wanneer we niet in harmonie zijn met deze gedachten, d.w.z. wanneer we blijven vasthouden aan onze grieven, aanvalsgedachten of gelijk welke speciale behoefte in welke vorm dan ook, dan denken we zonder God.

(4:3) Wat ik ‘mijn’ gedachten noem, zijn niet mijn werkelijke gedachten.

Jezus wil dat we leren dat telkens we spreken van ‘dit is van mij’ of ‘dit ben ik’ en telkens we spreken van ‘mijn’ gedachten, waarnemingen of lichaam, alles wat er op volgt verkeerd is gezien het gesteund is op afscheiding en speciaalheid. Aan het begin van het ‘zijn’ zei het ego tegen God: ‘Dit is van mij. Dit is mijn zelf, niet dat van jou. Ik maak niet langer deel uit van jou en ik heb gelijk!’ En deze houding is verkeerd want het Zoonschap van God is een.

(4:4-5) Mijn werkelijke gedachten zijn de gedachten die ik denk met God. Ik ben ze me niet bewust, omdat ik mijn gedachten hun plaats heb laten innemen.

Jezus zegt ons herhaaldelijk dat wij onze eigen gedachten gemaakt hebben om de gedachten die we denken met God te vervangen en we hebben dit gedaan omdat we een ‘Ik’ willen zijn. We koesteren de eerste persoon enkelvoud en het eerste bezittelijk naamwoord. Het is niet het ‘onze’ zegt het ego ons, maar ‘het mijne’.

(4:6-8) Ik ben bereid te erkennen dat mijn gedachten niets betekenen en bereid ze los te laten. Ik besluit ze te laten vervangen door wat zíj vervangen wilden. Mijn gedachten zijn zonder betekenis, maar heel de schepping is aanwezig in de gedachten die ik denk met God.

(5) Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk. (5)

Jezus herinnert er ons hier weer aan dat we een keuze hebben en hij moedigt ons aan om onze gedachten te laten vervangen door de Gedachten van God.

(5:2) Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk omdat ik voortdurend mijn gedachten probeer te rechtvaardigen.

Eens we de beslissing genomen hebben om een individueel en een enkelvoudig persoon te zijn moeten we voortdurend dit bestaan proberen rechtvaardigen. Het is niet mijn fout en ik probeer zoveel mogelijk mensen bijeen te krijgen die de waarneming van mezelf als slachtoffer bevestigen. En dit is nooit moeilijk te verwezenlijken omdat de uitgestrektheid van de wereld een bijna oneindig aantal voorwerpen voor onze projecties levert. We doen dit allemaal en zorgen er daarbij voor dat we blijven bestaan als afgescheiden individuen maar dat het de anderen zijn die verantwoordelijk blijven voor de zonde.

(5:3-7) Voortdurend probeer ik ze waar te maken. Ik maak alles tot vijand, zodat mijn kwaadheid gerechtvaardigd is en mijn aanvallen gewettigd zijn. Ik besefte niet hoezeer ik alles wat ik zie heb misbruikt door het deze rol te verlenen. Ik deed dit om een denksysteem te verdedigen dat mij heeft geschaad en dat ik niet langer wil. Ik ben bereid het los te laten.

Jezus legt hier de woorden in onze mond: besluiten dat we blij zijn dat we verkeerd zijn en ons realiseren dat er iets in ons is dat wel juist is. Dit houdt in dat wij onze angsten, oordelen en arrogantie, onze toewijding voor onze speciaalheid en uiteindelijk onze individualiteit, helemaal loslaten. We trekken ons terug van onze investering anderen te gebruiken om onze geprojecteerde verdediging te bekrachtigen door hen ofwel te rangschikken onder speciale liefde of speciale haat - dingen waar we ons lijken bij aan te sluiten of van wie we afgescheiden lijken te zijn.

zondag 22 juli 2018

Les 51 - De herhaling voor vandaag omvat de volgende ideeën – deel 1



Helen stond er op dat elke regel-introductie van de dagelijkse herhaling anders zou zijn. Let er maar eens op hoeveel verschillende manieren Jezus gebruikt om te zeggen dat de herhaling voor deze vandaag volgende ideeën omvat. 

(1) Niets wat ik zie betekent iets. (1)

In deze eerste lessen benadrukt Jezus dat wat we zien niets betekent omdat wat we zien eerder afkomstig is van verkeerde gedachten van oordeel en aanval.

(1:2-5) Dit is zo omdat ik niets zie en niets heeft geen betekenis. Het is noodzakelijk dat ik dit inzie, opdat ik kan leren zien. Wat ik nu denk te zien, neemt de plaats in van visie. Ik moet het loslaten door te beseffen dat het geen betekenis heeft, zodat visie daarvoor in de plaats kan komen.

Terwijl de term niet gebruikt wordt wijst Jezus er wel op dat wij een gespleten denkgeest hebben. Dat we beschikken over de mogelijkheid om te kijken met de visie van de Heilige Geest maar we bedekken deze liefdevolle gedachten liever met gedachten van aanval en afscheiding. We kunnen echter geen visie bereiken wanneer we de illusionaire en betekenisloze aard van onze waarnemingen niet herkennen. En het zijn deze gekozen mispercepties die de plaats innemen van visie, het doel van ego om zichzelf te beschermen en ons afgescheiden zelf die zijn afgescheiden identiteit beschermt, die ons ervan weerhoudt om de enige reden van onze aanwezigheid hier in deze wereld te ontdekken, namelijk: vergeving.

(2) Ik heb alles wat ik zie alle betekenis gegeven die het voor mij heeft. (2)

(2:2-4) Ik heb alles waar ik naar kijk beoordeeld en dat en dat alleen is wat ik zie. Dat is geen visie. Het is slechts een illusie van de werkelijkheid omdat mijn oordelen volkomen los van de werkelijkheid zijn gevormd.

Herinner je dat elke gedachte in het denksysteem van het ego een verdediging is tegen de waarheid van het Verzoeningsprincipe dat zegt dat we God nooit verlaten hebben. Wat we waarnemen is een gevolg van het oorspronkelijke oordeel dat wij ons van onze Bron en onze werkelijkheid hebben afgescheiden, de fundamentele illusie waar alle andere uit voortkomen.

(2:5-6) Omdat ik wil zien, ben ik bereid te erkennen dat mijn oordelen alle geldigheid missen. Mijn oordelen hebben mij geschaad en aan hun leiband wil ik niet zien.

Jezus doet hier een oproep om te begrijpen dat wat wij doen met onze gedachten en daarom met de waargenomen wereld, ons leed kan berokkenen: ‘mijn oordelen hebben mij geschaad.’ Het ego heeft zijn verdedigingssysteem opgezet als een enorme kloof tussen onze aanvalgedachten en de pijn, het lijden dat daar een gevolg van is. Deze kloof wordt vertegenwoordigd door de wereld van tijd en ruimte en het doel ervan is ons in staat te stellen onze pijn toe te schrijven aan ‘dingen buiten ons, krachten waar we geen controle over hebben’ (T. 19. IV. D. 7:4). En dat is natuurlijk het wonder van de projectie gezien vanuit het standpunt van het ego. We eindigen met een gevoel van zekerheid dat niet wij verantwoordelijk zijn voor de pijn die het gevolg is van onze keuze tegen God en Zijn Liefde, maar anderen, onze lichamen of de wereld zijn de oorzaak van onze ellende, alles of iedereen behalve wijzelf.

De bedoeling dus van deze lessen is om dit gevolg terug naar de oorzaak te brengen zodat we ons kunnen realiseren dat het alleen ons oordeel, onze gedachten zijn die ons pijn berokkenen. Op die manier worden wij ons opnieuw bewust van de kracht van ons denken om over ons lot te beslissen: geluk of ellende, vrede of conflict.

(3) Ik begrijp niets wat ik zie. (3)

(3:2-4) Hoe zou ik kunnen begrijpen wat ik zie, wanneer ik dat verkeerd beoordeeld heb? Wat ik zie is de projectie van mijn eigen denkfouten. Ik begrijp niet wat ik zie, omdat het onbegrijpelijk is.

Dit is een verzoek tot nederigheid. We zijn er altijd zo zeker van dat we gelijk hebben: wat ik zie is wat ik zie, wat ik hoor is wat ik hoor en mijn begrip van een situatie is wat ik zeg dat het is omdat ik zeg dat het zo is. En we vinden genoeg mensen vinden die het helemaal met ons eens zijn. Het is een collectieve waanzin! In het Frans spreekt men van een ‘folie à deux’: een waan die door twee mensen wordt gedeeld. Maar het kunnen er evengoed tien zijn, honderden, duizenden, miljoenen, zo niet miljarden zijn, omdat we allemaal dezelfde waanzin delen. Daarom kunnen we ook niet alles begrijpen noch ons tot iemand wenden voor volledig begrip.

(3:5-8) Het heeft geen zin om te proberen het te begrijpen. Maar er is alle reden om het los te laten en ruimte te maken voor wat wel kan worden gezien, begrepen en bemind. Wat ik nu zie, kan ik hiervoor inruilen eenvoudig door daartoe bereid te zijn. Is dit geen betere keuze dan die welke ik eerder maakte?
De manier om visie te bereiken is eenvoudig door de bereidwilligheid daartoe. Keer op keer zien we hoe Jezus een beroep doet op de kracht van ons denken om te kiezen: voor visie of voor oordeel, voor geluk of voor ellende, voor vrede of voor lijden. Wat het mogelijk maakt om anders te kiezen is door ons er bewust van te worden dat we inderdaad de keuze hebben om anders te kiezen en dat deze kracht in onze denkgeest verblijft en niet in de wereld of in ons lichaam.
(wordt vervolgd)