dinsdag 23 oktober 2018

Les 63 Het licht van de wereld brengt elke denkgeest vrede door mijn vergeving


Deze les keert terug naar het thema over eenheid. Zoals we al in vorige lessen konden zien neemt Jezus een centraal thema en blijft dit dan verder ontwikkelen. Hier leert hij ons dat wanneer we vergeven deze vrede zich door het hele Zoonschap uitbreidt, gezien er een spirit is. Dat wil echter niet zeggen dat deze vrede door elk - schijnbaar - fragment van het Zoonschap gelijk zal aanvaard worden. Het betekent echter wel dat ik nu gedachte in de denkgeest van de Zoon van God heb aangenomen en deze gedachte dienstig is een herinnering om een juiste keuze die alleen vrede zal brengen te maken

(1:1) Hoe heilig ben jij in wiens vermogen het ligt elke denkgeest vrede te brengen!

Herinner je een eerder aangehaalde passage uit het Handboek voor Leraren (H. 5. III. 2) die zegt dat genezing gedeeld wordt eenvoudig omdat wij voor genezing gekozen hebben en dat die keuze anderen oproept dezelfde keuze te maken. In dit opzicht wedijveren we met de Heilige Geest Die ons enkel eraan herinnert de juiste keuze te nemen:

De Heilige Geest roept jou zowel op te herinneren als te vergeten. Jij hebt ervoor gekozen in een staat van tegenstelling te verkeren waarin tegengestelden mogelijk zijn. Bijgevolg zijn er keuzen die je maken moet. … Kiezen is gebaseerd op een gespleten denkgeest. De Heilige Geest is één manier van kiezen.    Ze brengt slechts in herinnering. Ze is alleen onweerstaanbaar vanwege wat Ze jou laat herinneren. Ze houdt je denkgeest die andere weg voor en blijft kalm, zelfs te midden van de onrust die jij voortbrengt. (T. 2. II. 6:1-3,6 - 7;7:4-6)

We herinneren ons herinneren dat vrede een beslissing, een keuze is en een keuze die ons allemaal verenigd als één Zoon.

(1:2-3) Hoe gezegend ben jij die kan leren het middel te herkennen waardoor dit via jou gebeuren kan! Kun jij een ander doel hebben dat jou groter geluk bezorgt?

Opnieuw herinnert Jezus ons er aan dat vergeving het middel is om geluk te bereiken en geluk is onvermijdelijk eens we ervoor kiezen om onze oordelen die ons afgescheiden houden en die de bron zijn van al onze ellende te laten varen. Wanneer deze blokkade is opgeheven stroomt geluk ongehinderd door onze denkgeesten en omhelst het Zoonschap als een.

(2:1-2) Jij bent met zo’n functie inderdaad het licht van de wereld. De Zoon van God rekent op jou voor zijn verlossing.

Zoals we iets later zullen zien, de Zoon van God die voor verlossing op ons rekent is onszelf, het kind – waar Jezus in les 182 over spreekt – dat afgedwaald is, het kind die de Christus in ons vertegenwoordigt en dat wij bedekt en vergeten zijn, het kind dat geduldig op onze vergeving van anderen en onszelf wacht. Het is het licht van het kind dat in ieder van ons en ons, het licht van de Zoon is, wie wij allemaal zelf zijn.

(2:3-4) Jij kunt hem die geven, want ze behoort jou toe. Aanvaard in plaats hiervan geen nietszeggend doel of zinloos verlangen, want anders vergeet je jouw functie en laat je de Zoon van God achter in de hel.

Wat hier te verstaan wordt gegeven is dat als we een keuze maken om ‘een nietszeggend doel of zinloos verlangen’ we ervoor kiezen om de glorieuze waarheid over onszelf te vervangen. Dit doel en verlangen drukt een bepaald aspect van speciaalheid uit. We hebben eerder opgemerkt dat speciaalheid niets te maken heeft met gedrag maar met een houding waarbij we anderen gebruiken – mensen of dingen – als vervangingen voor de Liefde van God of de vrede van Jezus. Jezus spreekt dus over de beslissing voor de Hemel of voor de hel.

(2:5-6) Het is geen loos verzoek dat jou hier wordt gedaan. Jou wordt gevraagd verlossing te aanvaarden, zodat jij die kunt geven.

De manier waarop we verlossing aanvaarden is door verlossing in onze denkgeest te aanvaarden. Door deze aanvaarding ontkennen we het denksysteem van het ego en dat houdt automatisch in dat wij verlossing geven aan de wereld, die een is met ons. Het is dus ‘de eenvoud van verlossing’ (T. 31. I) die in tegenstelling staat tot de complexiteit van het plan van het ego om ons van de schuld te ‘verlossen’ door middel van speciaalheid waarbij het probleem, waarvan ons gezegd wordt dat het ons zal redden, versterkt wordt. Met andere woorden, het ego verstevigd onze afscheiding van iedereen terwijl de Heilige Geest deze ongedaan maakt door ons onze inherente eenheid te onderwijzen. Het is de keuze tussen de Hemel of de hel.

(3) Omdat we het belang van deze functie inzien, zullen wij onszelf er vandaag heel vaak met vreugde aan herinneren. We zullen de dag beginnen met de erkenning hiervan en de dag eindigen met de gedachte hieraan in ons bewustzijn. En de hele dag door zullen we dit zo vaak we maar kunnen, herhalen:

Het licht van de wereld brengt elke denkgeest vrede door mijn vergeving.
Ik ben het middel dat God ter verlossing van de wereld aangewezen heeft.

Jezus herinnert ons weer aan het belang van het veelvuldig herinneren van het centrale idee van de les om zo het geschenk te ontvangen van de visie van Christus, het geschenk dat het einde van alle lijden inhoudt. Ook deze mooie woorden op het einde van de tekst vormen een herinnering voor de allesomvattende aard die de visie van Jezus voor ons is:

Dit is echter een visie die jullie dienen te delen met ieder die je ziet, want anders zal je die zelf niet zien. Deze gave geven is de manier om ze de jouwe te maken. En God heeft, in liefdevolle goedheid, beschikt dat ze voor jullie is. (T. 31. VIII. 8:5-7)

Jezus dringt er op aan om alle mensen te vergeven omdat dit een manier is dat we zullen weten dat we vergeven zijn. In deze visie dat elke denkgeest vergeven is vinden we onze verlossing en de verlossing van de wereld.

(4:1-3) Als je je ogen sluit, zal het jou waarschijnlijk makkelijker vallen om verwante gedachten in je te laten opkomen tijdens de paar minuten die je dient te wijden aan het overdenken hiervan. Wacht zo’n gelegenheid echter niet af. Geen kans mag verloren gaan om het idee van vandaag te versterken.

Nog een keer vraagt Jezus ons geen enkele kans voorbij te laten gaan waarin we ons herinneren dat ons geluk en onze functie één zijn.

(4:4-5) Vergeet niet dat Gods Zoon voor zijn verlossing op jou rekent. En Wie anders dan jouw Zelf kan Zijn Zoon zijn?

Dit Zelf is de Christus in ons, het kind dat schijnbaar verdwaald is, maar niet verloren.

zondag 21 oktober 2018

Les 62 – Vergeving is mijn functie als het licht van de wereld


In deze les en de volgende les wordt het thema over het vervangen van het ego-zelfbeeld door de visie van Jezus verdergezet. De betekenis van onze functie als het licht van de wereld is hetzelfde als zeggen dat het onze functie is om te vergeven. We weten inmiddels dat vergeving niet een proces is dat plaatsvindt tussen twee mensen, maar in onze denkgeest. Het is niet zo dat ik jou vergeef, maar dat ik de projectie vergeef van mijn zelfconcept van schuld dat ik op jou geplaatst had. Want dat is het enige wat ik kan vergeven omdat alles wat ik in de wereld waarneem een projectie is van deze schuld. 

(1) Jouw vergeving zal de wereld van duisternis voeren naar het licht. Jouw vergeving laat je het licht herkennen waarin jij ziet. Vergeving is de demonstratie dat jij het licht van de wereld bent. Via jouw vergeving keert de waarheid over jezelf in je herinnering terug. Daarom ligt jouw verlossing in je vergeving.

En opnieuw wordt de nadruk gelegd om de duisternis naar het licht te brengen. We ‘herkennen het licht waarin we zien’ omdat vergeving de sluiers van de duisternis die onze visie verhinderen, wegneemt. Vergeving doet niets met het licht zelf, maar neemt de blokkade weg die het licht verborgen houdt. En eens dat gebeurd is blijft enkel het licht in ons bewustzijn.
Zoals we al zovele keren gezien hebben gaat het bij Een Cursus in Wonderen niet over het licht en de waarheid. De focus van deze cursus ligt op het herkennen van de duisternis met hulp van Jezus of de Heilige Geest. We worden dus niet verlost voor het licht maar van de duisternis.

(2:1-2) Illusies over jezelf en de wereld zijn een en hetzelfde. Daarom is alle vergeving een geschenk aan jezelf.

Dit berust op het principe dat we eerder al gezien hebben: ideeën verlaten hun bron niet. De wereld is niets meer dan een idee die wij gemaakt hebben en die we vanuit onze denkgeest hebben geprojecteerd. Daarom zegt Jezus ons dat welke illusie ook we over iemand vasthouden illusies zijn die we over onszelf vasthouden omdat ideeën hun bron niet verlaten. Vergeving is dus niet een gave die we aan een ander persoon geven. Het is een gave die we aan onszelf geven.

(2:3) Je doel is te ontdekken wie jij bent, omdat jij je Identiteit verloochend hebt door de schepping en haar Schepper aan te vallen.

We kozen ervoor om te vergeten Wie we zijn als Christus en één met onze Bron. In plaats hiervan gaven we er de voorkeur aan om onszelf als individuen te zien, afgescheiden van de perfecte Eenheid. Dat gaf het ontstaan aan het egodenksysteem. Daarom is correctie in de denkgeest nodig en:.

Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt en die te vinden. Het is niet nodig te zoeken naar wat waar is, maar wel naar wat onwaar is. (T. 16. IV. 6:1-2)

(2:4-5) Nu leer jij hoe je je de waarheid weer kunt herinneren. Want deze aanval moet door vergeving worden vervangen, zodat gedachten van leven in de plaats kunnen komen van gedachten van dood.

Vooraleer we onze aanvalsgedachten ongedaan kunnen maken moeten we eerst herkennen en accepteren dat we ze hebben. Vergeving heeft geen zin wanneer we ons niet eerst gewaar zijn van wat er vergeven en ongedaan moet gemaakt worden.

(3:1) Vergeet niet dat je bij elke aanval een beroep doet op je eigen zwakheid, terwijl je telkens als je vergeeft een beroep doet op de kracht van Christus in jou.

Dit thema, dat al eerder werd aangehaald, staat centraal in Een Cursus in Wonderen: we kiezen altijd tussen onze zwakte en de kracht van Christus. (T. 31. VIII. 2:3) Daarom verzwakt aanval ons terwijl vergeving ons werkelijk krachtig en vrij maakt.

(3:2-4) Begin je dan niet te begrijpen wat vergeving jou brengen zal? Ze zal elk gevoel van zwakte, spanning en vermoeidheid uit je denkgeest verdrijven. Ze zal alle angst en schuld en pijn wegnemen.

Met andere woorden, vergeving betekent het einde van alle lijden. Wanneer je dit leest zou het duidelijk moeten zijn dat Jezus hier niet spreekt over iets uiterlijks. De bron van alle zwakte, spanning, vermoeidheid, angst, schuld en lijden is in onze denkgeest. Daarom moet het ook in de denkgeest ongedaan gemaakt worden. De wereld zoekt altijd om deze negatieve ervaringen te verwijderen door iets wat uiterlijk is te veranderen. Misschien dat dit tijdelijk iets verhelpt, maar nooit op lange termijn omdat de werkelijke oorzaak van het lijden in ons denken niet ongedaan is gemaakt.

Dit idee over het geschenk van vergeving komt hier voor het eerst voor, maar komt later nog terug. Het is de oproep van Jezus om ons beter te voelen en om zonder pijn en verdriet te zijn.

(3:5) Ze zal je opnieuw bewust maken van de onkwetsbaarheid en kracht die God Zijn Zoon geschonken heeft.

Alles in Een Cursus in Wonderen heeft te maken met gewaarzijn, met een mentale toestand. Het gewaarzijn van de onkwetsbaarheid en kracht van Christus die God gegeven heeft wanneer Hij ons geschapen heeft is in onze denkgeesten. Het probleem is dat wij deze kracht bedekt hebben met een sluier van schuld en aanval die verwijderd moet worden om de ware kracht van de Zoon van God toe te staan te schijnen.

(4) Laten we deze dag zowel van harte beginnen als eindigen met het oefenen van het idee van vandaag en het zo vaak mogelijk de hele dag door gebruiken. Het zal helpen deze dag voor jou zo gelukkig te maken als God wil dat jij bent. En het zal hen die in je omgeving zijn, alsook hen die in tijd en ruimte ver weg lijken, helpen dit geluk met jou te delen.

De tekst leert ons hoe we een gelukkige leerling kunnen zijn (T. 14. II) door onze bereidwilligheid om de dagelijkse vergevingslessen te leren. Gezien dit proces plaatsvindt in onze denkgeest, de dimensie voorbij tijd en ruimte, waar alle onze broeders kunnen gevonden worden, versterkt ons leren het leren van iedereen. In de tekst lezen we :

Hij brengt het licht der waarheid in de duisternis en laat het over jou schijnen. En terwijl het straalt zien jouw broeders het en, beseffend dat dit licht niet iets is wat jij hebt gemaakt, zien zij meer in jou dan jij ziet. Zij zullen de gelukkige leerlingen zijn van de les die dit licht hun brengt, want die onderwijst aan hen bevrijding van niets en van al de werken van het niets. De zware ketenen die hen aan wanhoop lijken te kluisteren zien zij niet als niets, tot jij het licht tot hen brengt. … En jij zult het samen met hen zien. Doordat jij aan hen vreugde en bevrijding onderwezen hebt, zullen zij jouw leraren worden in bevrijding en vreugde. (T. 14. II. 4:3-6, 8-9)

(5) Zeg vandaag zo vaak je kunt tegen jezelf – en doe daarbij als dat kan je ogen dicht:

Vergeving is mijn functie als het licht van de wereld.
Ik zal mijn functie vervullen, opdat ik gelukkig ben.

Neem dan een minuut of twee om na te denken over je functie en over het geluk en de bevrijding die ze je brengen zal. Laat verwante gedachten ongehinderd opkomen, want je hart zal deze woorden herkennen en in je denkgeest huist het besef dat ze waar zijn. Mocht je aandacht afdwalen, herhaal dan het idee en voeg eraan toe:

Ik wil dit in gedachten houden want ik wil gelukkig zijn.

Gelukkig zijn is de motivatie voor ons leren. We worden op een rustige, liefdevolle manier geleerd dat de enige manier om gelukkig te zijn is om door vergeving onze schuld te verwijderen.

vrijdag 19 oktober 2018

Les 61 – Ik ben het licht van de wereld


De titel van de les komt uit genomen uit de evangeliën daar waar Jezus tegen zijn apostelen zegt: ‘Jij bent het licht van de wereld (Mattheus 5:14). Hier en ook op vele andere plaatsen in Een Cursus in Wonderen zien we hoe Jezus een idee uit het traditionele christendom neemt en er een totaal andere interpretatie aan geeft.

Zeggen dat wij het licht van de wereld zijn refereert naar het licht van Christus dat in onze denkgeesten schijnt. Gezien de denkgeest van de Zoon van God één is wordt dit licht gedeeld door het Zoonschap in zijn geheel. Ons wordt echter niet gevraagd om (speciale) spirituele mensen te zijn die het licht dragen omdat Jezus ons dat gaf en ons dan belastte met de functie om dit licht onder de massa te verspreiden. Hij herinnert ons, de Zoon van God die de illusie heeft verdeeld te zijn, er eerder aan dat wij allemaal het licht van de wereld zijn. Dit corrigeert dus het zelfconcept van het ego dat wij de duisternis van de wereld zijn. In feite begint les 93: ‘jij denkt dat je het thuis ben van kwaad, duisternis en zonde’ (Wd1. 93. 1:1).

De arrogantie van het ego doet het echter zo klinken: ‘Ik ben het licht van de wereld, maar jij bent dat niet.’ Er is iets speciaals aan mij en in mijn geweldige heiligheid breng ik jou dit licht en geef ik jou wat jij niet hebt.’ In het Lied van het Gebed bespreekt Jezus deze dynamiek ‘genezen om te scheiden’, in de context dat genezers die geloven dat zij de genezers zijn, genezing schenken aan iemand die ziek is en zich daardoor afscheiden van hen. De volgende passage geldt ook voor wat we noemen ‘licht brengen naar de afscheiding:

Iemand weet het beter, is beter opgeleid of is misschien begaafder of wijzer. Daarom kan hij genezing schenken aan wie onder zijn hoede onder hem staat. … Hoe kan dat? Ware genezing kan niet voortvloeien uit een ongelijkheid die eerst wordt aangenomen, dan als waarheid aanvaard en als hulpmiddel gebruikt om de gewonde te herstellen en de denkgeest die lijdt aan een kwellende twijfel, te kalmeren. … Jij maakt jezelf niet tot drager van het speciale geschenk dat tot genezing leidt. Je herkent slechts jouw eenheid met degene die hulp vraagt. Want in die eenheid wordt zijn gevoel van afgescheidenheid verdreven en juist dit heeft hem ziek gemaakt. Het heeft geen zin een remedie te geven los van waar de bron van ziekte is, want zo kan die nooit werkelijk genezen worden. (L. 3. III. 2:4-5; 3:3-4; 4:5-8)

De duisternis die geheeld moet worden verblijft in de denkgeest die in afscheiding geloofd. Het licht dat geneest verblijft eveneens in de denkgeest en elk van ons draagt beide, de duisternis van schuld en het licht van de Verzoening. Voor het licht kiezen is genezing voor onszelf en voor de wereld, gezien het licht van Christus in de Zoon van God één is, er is slechts één licht. Iets anders geloven is de speciaalheid van het ego. Zijn misleiding ligt niet alleen in de afscheiding maar ook in dat wat door speciaalheid weggedrukt, nl. het geloof dat ik echt de duisternis van de wereld ben.
Daarom worden we in het werkboek, maar ook in de rest van Een Cursus in Wonderen, geleerd dat het onze functie is ons te herinneren dat wij het licht van de wereld zijn die een keuze maken tegen de duisternis van het ego. Onze aanvaarding van deze Verzoening dient als een herinnering voor anderen om dezelfde keuze te maken die wij gemaakt hebben. Jezus begint deze les dus door het licht van onze ware Identiteit te stellen tegenover het duistere ego-zelf van arrogantie en zelfbedrog:

(1) Wie anders is het licht van de wereld dan Gods Zoon? Dit is dan ook niets anders dan een uitdrukking van de waarheid over jezelf. Het is het tegendeel van een uitdrukking van trots, hoogmoed of zelfbedrog. Het beschrijft niet het beeld dat jij van jezelf hebt gevormd. Het verwijst naar geen enkel kenmerk waarmee jij je afgoden hebt toegerust. Het verwijst naar jou zoals jij door God werd geschapen. Het drukt eenvoudig de waarheid uit.

Later in het werkboek wordt het thema, dat we zijn zoals God ons geschapen heeft, centraal. Jezus verwijst hier naar de andere kant. Hij wil dat we begrijpen wat we over onszelf geloven: het (zondig en schuldig) beeld dat we van onszelf gevormd en tegelijkertijd wil hij dat we ons herinneren dat dit zelfconcept een verdediging is tegen ons ware Zelf: het licht van Christus.

(2:1-2) Voor het ego is het idee van vandaag het toppunt van zelfverheerlijking. Maar het ego begrijpt niet wat nederigheid is en verwart dit met zelfvernedering.

Nogmaals ‘Ik ben het licht van de wereld’ betekent voor het ego ‘Ik heb iets dat jij moet missen.’ Maar ook staat nederigheid voor het ego gelijk aan zelfvernedering. Een traditionele christelijke versie van nederigheid komt vaak tot uiting in beweringen zoals: ‘Ik ben een ellendige zondaar. Maar dankzij de genade van de Here Jezus Christus ben ik verlost.’ Bijna het meest beroemde van alle gebeden uit de Orthodoxe kerk is het ‘Jezus’ gebed: Heer Jezus Christus, Zoon van God, wees mij, zondaar, genadig.’ En al lijkt dit het tegenovergestelde te zijn, het is de hoogste graad van arrogantie want het zegt dat er een zondig zelf kan zijn dat onafhankelijk is van en afgescheiden van het glorieuze Zelf dat God geschapen heeft. Een belangrijke passage uit de tekst weerspiegelt deze valse nederigheid van het ego:

Een belangrijk geloofspunt in de waanreligie van het ego is dat zonde geen vergissing maar waarheid is en dat juist onschuld misleidt. Zuiverheid wordt als arrogantie gezien, terwijl het als zondig aanvaarden van het zelf als heiligheid wordt beschouwd. En het is deze doctrine die de werkelijkheid van Gods Zoon, zoals zijn Vader hem heeft geschapen en gewild heeft dat hij voor eeuwig was, vervangt. Is dit nederigheid? Of is het eerder een poging om de schepping los te rukken van de waarheid en haar gescheiden te houden? (T. 19. II.4)

(2:3-5) Nederigheid houdt in dat je jouw rol in de verlossing aanvaardt en geen andere op je neemt. Het is geen nederigheid vol te houden dat jij niet het licht van de wereld kunt zijn als dat de functie is die God jou heeft toegewezen. Alleen arrogantie kan beweren dat deze functie niet voor jou bestemd kan zijn en arrogantie komt altijd van het ego.

Een ander belangrijk thema dat hier naar voren komt is ‘functie’. Een Cursus in Wonderen leert ons dat het onze functie is de Verzoening voor onszelf te aanvaarden, het feit aanvaarden dat onze schijnbare zonden vergeven zijn. Het is niet onze functie om wat dan ook met iemand anders te doen en de reden hiervoor is, uiteindelijk, er is niemand anders. We hoeven slechts Jezus te vragen om ons te helpen onze denkgeesten te genezen om zo bewust te worden dat de denkgeest van de Zoon van God één is. Eens we genezen zijn worden we een symbool van genezing en van de juist-gerichte keuze, licht in plaats van duisternis, voor al de anderen.
Nogmaals wanneer we de woorden van Een Cursus in Wonderen als een nominale waarde nemen zonder te begrijpen wat ze precies inhouden kunnen we verwikkeld geraken in ideeën die precies het tegenovergestelde beweren van dat wat Jezus ons onderwijst en maken we dezelfde fouten die het christendom gemaakt heeft en zovele religies en spirituele leringen door de eeuwen heen. De uitspraken die we zojuist in aanschouw genomen hebben zijn goede voorbeelden van deze vergissing zoals zij spirituele speciaalheid lijken te onderschrijven, een van de meest effectieve verdedigingen van het ego tegen de waarheid van onze werkelijkheid als de ene Zoon van God.

(3) Ware nederigheid vraagt dat je het idee van vandaag aanvaardt, omdat het de Stem van God is die je vertelt dat het waar is. Dit is een eerste stap in de aanvaarding van je werkelijke functie op aarde. En het is een reuzenstap op weg naar je rechtmatige plaats in de verlossing. Het is een positieve bevestiging van jouw recht op verlossing en een erkenning van de macht die je is gegeven om anderen te verlossen.

In de tekst legt Jezus een aantal keren op verschillende plaatsen uit dat onze functie hier op aarde is om te vergeven of te genezen en onze functie in de Hemel is om te scheppen. Bijvoorbeeld:

Doe het werk van de Heilige Geest, want jij deelt Zijn functie. Zoals scheppen je functie in de Hemel is, zo is genezen je functie op aarde. God deelt Zijn functie met jou in de Hemel en de Heilige Geest deelt de Zijne met jou op aarde. (T. 12. VII. 4:6-8)

Deze les verwijst dus naar onze functie om de verlossing voor onszelf te aanvaarden, zodat de Heilige Geest het door ons kan uitbreiden. Het is ook duidelijk dat Jezus spreekt over een proces: ‘een eerste stap in de aanvaarding van je werkelijke functie op aarde … een reuzenstap op weg naar je rechtmatige plaats in de verlossing’. Dat is niet iets wat we zomaar doen en hij verwacht van zijn studenten niet dat zij Les 61 ’s ochtends doen, dat zij tegen de middag genezen zijn en zij ’s avonds heilig en heel zijn en de werkelijke wereld binnengaan. We beginnen met het veranderen van ons denken over dat wat we denken dat we zijn. We zullen keer op keer op dit proces terugkomen.

(4) Aan dit idee zal je vandaag zo vaak mogelijk willen denken. Het is het volmaakte antwoord op alle illusies en dus op alle verleidingen. Het brengt alle beelden die jij over jezelf hebt gevormd naar de waarheid en helpt je om heen te gaan in vrede, onbelast en zeker van je doel.

Dit is een onmiskenbare verwijzing naar het thema over het brengen van de duisternis naar het licht of de illusie naar de waarheid. Zoals eerder besproken zegt Jezus niet dat we deze werkboekgedachten moeten gebruiken als affirmaties om de mispercepties over onszelf te bedekken of te overschreeuwen. Hij vraagt ons om naar onze mispercepties te kijken en ons bewust te worden van ons verschrikkelijk zelfconcept en – beelden. Er met Jezus naar kijken vormt ze om, om ze naar zijn waarheid te brengen en dat kunnen we niet doen wanneer we niet weten dat ze er zijn.
Nogmaals, niets in het werkboek moet ooit gelijk aan affirmaties worden beschouwd die ons vragen het ego denksysteem te overstemmen. Dit corrigeert de overheersende klemtoon van de New Age op affirmaties, wat een voorbeeld is om de waarheid te gebruiken als een dekmantel voor illusies. Naast het leggen van de nadruk op onze onjuist-gerichte overtuigingen over onszelf legt hij ook de nadruk op de waarheid over onszelf en niet op het bedekken van de illusie met de waarheid, maar dat we er ons bewust van worden dat we een keuze hebben. Ik heb dikwijls gewezen op het belang dat Een Cursus in Wonderen legt op de kracht van ons denken om te kiezen. We kunnen echter geen betekenisvolle keuze maken wanneer we niet weten waaruit we moeten kiezen. Daarom zet Jezus, in niet mis te verstane woorden, uit dat we een onjuist-gericht denken hebben, de stem van het ego dat liegt en een juist-gericht denken, de Stem van de Heilige Geest, die de waarheid spreekt.

(5) Houd vandaag zoveel mogelijk oefenperioden, hoewel die elk niet meer dan een minuut of twee hoeven te duren. Begin ze door tegen jezelf te zeggen:

Ik ben het licht van de wereld. Dat is mijn enige functie.
Dat is de reden waarom ik hier ben.

Denk dan korte tijd over deze uitspraken na, liefst met je ogen dicht als de omstandigheden dat toelaten. Laat een paar verwante gedachten bij je opkomen en herhaal het idee voor jezelf als blijkt dat je denkgeest van de kerngedachte afdwaalt.

Jezus roept op om de gedachte van de dag zoveel mogelijk te herhalen, ons daarbij de waarheid van onze Identiteit herinneren en die naar de povere vervanging van schuld en oordeel van het ego brengen. Merk ook op dat Jezus verwacht dat we onze gedachten de vrije loop laten en dat hij ons aanmoedigt om onze angst te overwinnen en terug te keren naar de waarheid van zijn onderwijs.

(6) Zorg ervoor dat je de dag zowel begint als eindigt met een oefenperiode. Op die manier zal je ontwaken met de erkenning van de waarheid over jezelf, deze de hele dag door versterken en inslapen met de herbevestiging van je functie en je enig doel hier. Deze twee oefenperioden mogen langer zijn dan de andere, mocht je ze nuttig vinden en willen uitbreiden.

Jezus’ aanpak zou van nu af aan herkenbaar moeten zijn. Hij wil dat we ons voortdurend de waarheid over onszelf herinneren zodat we een constante standaard hebben waarmee we de misleiding van het ego kunnen evalueren. Hij laat ons ook vrij om, wanneer dit comfortabel voelt, meer te doen dan hij vraagt.

(7:1-4) Het idee van vandaag overstijgt verre de bekrompen voorstellingen die het ego eropna houdt van wat jij bent en wat jouw doel is. Voor jou als brenger van verlossing is het duidelijk noodzakelijk. Dit is de eerste van een aantal reuzenstappen die we in de komende paar weken zullen zetten. Probeer vandaag een begin te maken met het leggen van een stevig fundament voor deze vorderingen.

Jezus laat ons hier weten dat hij afweet van onze keuze voor het ego ‘de bekrompen voorstellingen die het ego eropna houdt van wat jij bent’ en dus is het niet nodig om dit te ontkennen. Meer zelfs, het is aan de hand van deze keuze tegen ons Zelf dat er tijd nodig is om steeds minder vertrouwen te stellen in het egodenksysteem van schuld en angst. Eens te meer weerspiegelen de woorden van Jezus het proces om tegen onze weerstand te kiezen en voor de waarheid. Deze lessen worden dus de bouwstenen die we zullen gebruiken om een totaal nieuw concept van onszelf op te bouwen – mild en stap voor stap.

(7:4-6) Jij bent het licht van de wereld. God heeft op jou Zijn plan voor de verlossing van Zijn Zoon gegrondvest.

Tot slot moedigt Jezus ons aan om vertrouwen te hebben in zijn proces van vergeving wanneer hij ons aan ons doel herinnert en hoe belangrijk deze eerste lessen zijn om ons doel te bereiken: ons het licht dat onze Identiteit is herinneren, tot stand gebracht door de duisternis te vergeten, de povere vervanging van het ego van ons afgescheiden en met schuld geteisterd zelf.

woensdag 17 oktober 2018

Les 60


Les 60
Deze laatste les keert terug naar vergeving.
(1:1) God is de Liefde waarin ik vergeef. (46)

(1:2-3) God vergeeft niet, omdat Hij nooit veroordeeld heeft. Wie onschuldig is, kan niet beschuldigen en wie zijn onschuld heeft aanvaard, ziet niets om te vergeven.
Het feit dat God niet vergeeft vormt, binnen de droom, de basis voor onze vergeving. Er is enkel vergeving nodig als een correctie op de veroordeling. Wanneer de veroordeling van onszelf is teruggetrokken is tegelijkertijd ons oordeel over anderen ingetrokken omdat ook het idee van het oordeel zijn bron nooit kan verlaten. Jezus vraagt om onze met licht gevulde onschuld te aanvaarden. Wanneer veroordeling volledig weg is blijft er niets over om te vergeven.
(1:4-6) Toch is vergeving het middel waardoor ik mijn onschuld zal herkennen. Ze is de weerspiegeling van Gods Liefde op aarde. Ze zal me zo dicht bij de Hemel brengen dat Gods Liefde zich naar mij toe kan buigen en me kan opheffen naar Hem.
Hier krijgen we wel te maken met het probleem dat we niet naar de Hemel opgetild willen worden gezien hiermee ook onze individualiteit verdwijnt. Door onze onschuld te herkennen zien we in hoezeer we wel geloven in onze zondigheid en schuld omdat we afgezonderd van God wilden zijn. Door te zien hoeveel lijden dit geloof tot gevolg heeft kunnen we de keuze voor heelheid maken.
Een ander belangrijk thema in deze vijf lessen, om niet te spreken van de hele Cursus in Wonderen, is dat we niet op eigen kracht vergeven, zoals we nu kunnen zien:
(2:1) God is de kracht waarop ik vertrouw. (47)

(2:2-3) Het is niet mijn eigen kracht waarmee ik vergeef. Het is de kracht van God in mij, welke ik me herinner wanneer ik vergeef.
Ik ben niet degene die jou vergeeft. Ik kan enkel de Heilige Geest vragen mij te helpen om op een andere manier te kijken omdat de manier waarop ik nu naar jou kijk mij niet gelukkig maakt. De basisregel is herkennen dat de gevolgen van mijn keuze om gelijk te hebben pijnlijk, egoïstisch en speciaal zijn. Ik leg dus de zwakte van mijn kracht terzijde en kies in plaats daarvan de kracht van Christus die, door vergeving, hersteld is in mijn bewustzijn.
(2:4-6) Wanneer ik ga zien, herken ik Zijn weerspiegeling op aarde. Ik vergeef alles omdat ik Zijn kracht in mij voel ontwaken. En ik begin me de Liefde te herinneren die ik verkoos te vergeten, maar die mij niet vergeten heeft.
We hebben ervoor gekozen om te vergeten omdat we onze individualiteit willen kennen in plaats van de kracht van Christus. Maar het vergeten van onze Identiteit heeft het niet vernietigd. Ons Zelf heeft slechts gewacht tot wij onze perceptie veranderen: van oordeel naar visie, van zwakheid naar kracht.
Alinea drie brengt ons terug naar de werkelijke wereld.

(3:1) Er valt niets te vrezen. (48)

(3:2-4) Hoe veilig zal de wereld er voor mij uitzien wanneer ik haar kan zien! Ze zal in niets lijken op wat ik me inbeeld nu te zien. Alles en iedereen in mijn blikveld zal zich naar mij toewenden om mij te zegenen.
Eens we een staat van volmaakte veiligheid in onze denkgeesten hebben gekozen die vertegenwoordigd wordt door Jezus, zal de wereld die we buiten ons ervaren de weerspiegeling ervan zijn. Dit is zo omdat ideeën hun bron niet verlaten. De schoonheid van deze vergeven wereld wordt prachtig weergegeven in de volgende passage uit de tekst:
Kun jij je voorstellen hoe mooi zij die jij vergeeft er voor jou uit zullen zien? In geen enkele fantasie heb je ooit zoiets lieflijks waargenomen. Niets van wat je hier ziet, of je nu slaapt of wakker bent, benadert ook maar enigszins zulke lieflijkheid. En niets zal jij zo waarderen als dit, en zal jou zo dierbaar zijn. Niets wat jij je herinnert dat jouw hart van vreugde deed zingen, heeft jou ooit ook maar de fractie van het geluk gebracht dat dit zicht jou brengen zal. Want je zult de Zoon van God zien. Jij zult de schoonheid aanschouwen waar de Heilige Geest met liefde naar kijkt, en waar Hij de Vader voor dankt. Hij werd geschapen om dit voor jou te zien, tot jij geleerd hebt dit voor jezelf te zien. En heel Zijn onderwijs leidt ertoe dat jij dit ziet, en dank brengt samen met Hem. Deze lieflijkheid is geen fantasie. Het is de werkelijke wereld, stralend en zuiver en nieuw, en alles sprankelt in de volle zon. Niets is hier verborgen, want alles is vergeven en er zijn geen fantasieën om de waarheid te verbergen. (T. 17. II. 1:1-2:3)
Het terugroepen van deze schoonheid helpt ons om opnieuw te kiezen wanneer we geneigd zijn om de lelijke wereld van afgescheidenheid werkelijk te maken.
Merk het gebruik van ‘alles en iedereen’ op in 3:4 om onze visie te omschrijven. Wanneer iets of iemand uitgesloten wordt van het licht van de veiligheid dan is de hele wereld ondergedompeld in de duisternis en schaduw van de donkere gedachten van schuld in onze denkgeest.
(3:5-6) Ik zal in iedereen mijn beste Vriend herkennen. Wat valt er te vrezen in een wereld die ik vergeven heb, en die mij vergeven heeft?
Dit is de visie van Christus waarin het hele Zoonschap waargenomen wordt door de ogen van heiligheid. Niet een aspect van het Zoonschap wordt uitgesloten nu de afscheiding voorbij is, is ook alle angst, die het onvermijdelijke resultaat was van ons geloof is zonde en schuld, voorbij. Deze visie is mooi verwoord in de openingsregels van het eerste gedicht van Helen ‘De geschenken van kerstmis’:
Christus gaat aan niemand voorbij. Want nu weet je dat hij de Zoon van God is. Je herkent zijn aanraking in een universele zachtaardigheid. Zijn ogen aanschouwen de Liefde van God in iedereen die hij ziet.
Met zo een liefde naast en in ons is angst onmogelijk.
(4:1) Gods Stem spreekt tot mij, heel de dag. (49)
(4:2-3) Er is geen moment waarop Gods Stem ophoudt een beroep te doen op mijn vergevingsgezindheid om mij te verlossen. Er is geen moment waarop Zijn Stem niet mijn gedachten leidt, mijn handelingen richt, mijn voeten stuurt.
Het is deze Roep die we proberen te bedekken. Het is het doel van de wereld die we gemaakt hebben; het doel van onze gedachten van speciaalheid en aanval, oordeel en verlangen. Deze kunnen makkelijk opzijgezet worden wanneer we beslissen dat we niet langer het gekrijs van het ego willen horen. De vriendelijke stilte van de Stem namens God keert terug op het moment dat we Zijn geluid en enkel Zijn geluid, willen horen. Zo breidt het zoete liefdeslied van God zich uit doorheen de droom en leidt het onze gedachten, woorden en daden.
(4:4-5) Ik ga gestaag de waarheid tegemoet. Nergens anders kan ik heen, want Gods Stem is de enige Stem en de enige Gids die Zijn Zoon gegeven is.
Er is niets anders. Gelijk welk ander pad wij kiezen is niets en leidt nergens heen want het is afkomstig van een stem die geen werkelijkheid heeft. De betovering van deze herkenning is beschreven in deze prachtige afsluitende alinea’s in ‘het werkelijke alternatief’. Het herinnert ons eraan dat wij, als een Gedachte van God, nooit onze Bron verlaten hebben:
Hij heeft Zijn Gedachten niet verlaten! Maar jij hebt Zijn Tegenwoordigheid vergeten en je Zijn Liefde niet herinnerd. Er is geen pad ter wereld dat naar Hem leiden kan, noch enig wereldlijk doel dat met het Zijne één kan zijn. Welke weg in heel de wereld zal naar binnen voeren, wanneer iedere weg gemaakt werd om de reis te scheiden van het doel dat hij hebben moet, wil hij geen vruchteloze omzwerving zijn? Alle wegen die wegleiden van wat jij bent zullen jou tot verwarring en wanhoop drijven. Toch heeft Hij Zijn Gedachten nooit verlaten om die te laten sterven, zonder dat hun Bron voor eeuwig in hen aanwezig is.
Hij heeft Zijn Gedachten niet verlaten! Hij kan er net zomin van scheiden als zij Hem kunnen weren. Zij vertoeven in eenheid met Hem en in Hun Eénzijn blijven Beiden compleet. Er is geen weg die van Hem wegleidt. Een reis van jezelf weg bestaat niet. Hoe dwaas en waanzinnig is het te denken dat er een weg kan zijn met een dergelijk doel! Waarheen zou die kunnen leiden? En hoe zou jij ertoe kunnen worden gebracht die te volgen en die te bewandelen zonder dat je eigen werkelijkheid één met jou is?
Vergeef jezelf je waanzin en vergeet alle zinloze reizen, alle doelloze doeleinden. Ze hebben geen betekenis. Je kunt je niet onttrekken aan wat jij bent. Want God is genadig en heeft niet toegestaan dat Zijn Zoon Hem verlaat. Wees dankbaar voor wat Hij is, want daarin ligt jouw ontsnapping aan waanzin en aan dood. Nergens anders dan waar Hij is, kun jij worden gevonden. Er is geen weg of die leidt tot Hem. (T. 31. IV. 9 – 11)
(5:1) Ik word gedragen door de Liefde van God. (50)
(5:2-4) Wanneer ik luister naar Gods Stem, word ik door Zijn Liefde gedragen. Wanneer ik mijn ogen open, verlicht Zijn Liefde de wereld zodat ik kan zien. Wanneer ik vergeef, herinnert Zijn Liefde mij eraan dat Zijn Zoon zondeloos is.
En wie is Zijn Zoon? Dat ben ik. Wanneer ik mij bewust word van mijn zondeloosheid word ik mij er ook bewust van dat iedereen zondeloos is want de Liefde van God is ook zijn liefde.
(5:5) En wanneer ik de wereld bezie met de visie die Hij me heeft gegeven, herinner ik mij: ik ben Zijn Zoon.
Jezus eindigt deze symfonische beweging met het bereiken van het ultieme doel. De manier waarop we visie bereiken of de werkelijke wereld is door aandacht te besteden aan de uiterlijke wereld zodat zij ons kan leren dat de uiterlijke spiegels binnen in onze geest zitten. De pijnlijke ervaring als lichaam, in wisselwerking met andere lichamen, wordt de motivatie om de andere kant op te gaan, om te kiezen voor de andere leraar. Kiezen voor de Gedachten van de Heilige Geest als bron voor ons zien. Zo kijken we uit op een wereld via de visie van Christus. De werkelijke wereld begroet ons en we herinneren ons uiteindelijk Wie we zijn als de Zoon van God en roepen met vreugde deze woorden uit het tweede deel van het werkboek uit:
Wees blij vandaag! Wees blij! Er is vandaag geen ruimte voor iets anders dan blijdschap en dank. Onze Vader heeft deze dag Zijn Zoon verlost. Er zal niemand van ons zijn die vandaag niet zal worden verlost. Niemand die in angst zal blijven en niemand die de Vader niet om Zich heen zal scharen, ontwaakt in de Hemel, in het Hart van de Liefde. (Wd2. 340. 2)


maandag 15 oktober 2018

Les 59


In les 59 zien we opnieuw het thema over wie we zijn als Zoon van God met het prachtige en wonderlijke gevolg wanneer we dit begrijpen en de waarheid ervan accepteren.

(1) God vergezelt me, waar ik ook ga. (41)

(1:2-7) Hoe kan ik alleen zijn als God mij altijd vergezelt? Hoe kan ik twijfelen en onzeker zijn over mezelf als volmaakte zekerheid in Hem rust? Hoe kan ik door iets verstoord raken als Hij in absolute vrede in mij woont? Hoe kan ik lijden als liefde en vreugde mij dankzij Hem omringen? Laat ik geen illusies koesteren over mezelf. Ik ben volmaakt, omdat God me vergezelt waar ik ook ga.

Het is niet zo dat God letterlijk met ons ons mee stapt. Jezus leert hier dat God bij ons is omdat Zijn Liefde in onze denkgeest is en wij daar ook zijn. Liefde vormt de basis voor het ongedaan maken van de afscheidingsgedachte die het thuis vormt van alle illusies van lijden en pijn.
Het enige wat voor deze Liefde nodig is, is terug te keren naar dat bewustzijn via de kracht van ons denken om te kiezen, een van de meest belangrijke thema’s van Een Cursus in Wonderen waar we nu op trouwens op terugkomen:

(2) God is mijn kracht. Visie is Zijn geschenk. (42)

(2:3-6) Laat ik vandaag niet op mijn eigen ogen vertrouwen om te zien. Laat ik bereid zijn mijn jammerlijke illusie van wat zien is, te verruilen voor de visie die door God geschonken wordt. De visie van Christus is Zijn geschenk, en Hij heeft mij die gegeven. Op dit geschenk wil ik me vandaag beroepen, zodat deze dag mij helpt de eeuwigheid te verstaan.

We weten nu dat wanneer we ons herinneren dat onze gevoelens van ongemak en verstoring afkomstig zijn van de verkeerde keuze die we in de denkgeest gemaakt hebben en van niets anders we een andere keuze kunnen maken. We moeten dus de mispercepties van het ego verwisselen voor de visie van Christus, in plaats van kiezen voor uitsluiting en afwijzing kunnen we kiezen voor eenheid, in plaats van kiezen voor afscheiding kunnen we kiezen voor vergeving.

(3) God is mijn Bron. Los van Hem kan ik niet zien. (43)

(3:3-7) Ik kan zien wat God wil dat ik zie. Ik kan niet iets anders zien. Buiten Zijn Wil zijn er alleen illusies. Daarvoor kies ik wanneer ik denk dat ik los van Hem kan zien. Daarvoor kies ik wanneer ik probeer te zien met de ogen van het lichaam.

Nogmaals, alle mispercepties stammen af van het illusoire geloof dat we een bestaan afzonderlijk van God kunnen hebben, het idee dat de Zoon van God te zijn Bron achter hem heeft gelaten. Deze gedachte van afscheiding doet een wereld van afscheiding ontstaan en waarvan we geloven dat die er is omdat we geloven dat we die zien. De ogen van het lichaam hebben visie vervangen, een vervanging die zal blijven tot we ons denken veranderen.

(3:8-9) Toch is de visie van Christus me geschonken om die illusies te vervangen. Met déze visie wil ik zien.

Het doel van Een Cursus in Wonderen is een verandering in het denken teweegbrengen waardoor visie het zien van het ego vervangt. En visie kan niet komen tenzij wij een keuze maken die zegt: ik heb verkeerd gedacht en waargenomen. Ik weet dat er een andere manier is van denken is waarbij ik me beter voel. Ik ben niet gelukkig en wil in vrede zijn. Ik laat daarom mijn investering in gelijk hebben los. Dit verlangen voor echte vrede en geluk vormt zo de basis voor de keuze voor visie die de illusie vervangt.

(4) God is het licht waarin ik zie. (44)

(4:2-4) In duisternis kan ik niet zien. God is het enige licht. Dus als ik wil zien, moet het wel via Hem zijn.

Zoals de tekst ons herinnerd: ‘Visie (of licht) of oordeel (duisternis) is jouw keuze, maar nooit beide tegelijk.’ (T. 20. V.4:7).
We kiezen het een of het ander en in ons juist-gericht denken is heel de wereld vrij.

(4:5-7) Ik heb geprobeerd te definiëren wat zien is en ik heb me vergist. Nu wordt het me gegeven te begrijpen dat God het licht is waarin ik zie. Laat ik visie welkom heten, alsook de vreugdevolle wereld die ze me tonen zal.

Ik moet mij realiseren dat ik verkeerd ben geweest over alles wat ik zie en over alles wat ik denk dat ik begrijp. Hoe vaak herinnert Jezus ons aan dit gelukkig feit; gelukkig inderdaad wanneer we niet vereenzelvigd zijn met de koppigheid van het ego dat hij gelijk heeft en dat God verkeerd is. In deze aanvaarding van de waarheid wordt nederigheid geboren wat leidt tot de visie van Christus die de wereld, samen met mij, zegent.

De les eindigt met een terugkeer naar de gedachte van Eenheid waarbij de wereld ongedaan wordt gemaakt omdat deze gedachte de afgescheiden denkgeest ongedaan maakt:

(5) God is de Denkgeest waarmee ik denk. (45)

(5:2-4) Ik heb geen gedachten die ik niet deel met God. Ik heb los van Hem geen gedachten, omdat ik geen denkgeest heb los van de Zijne. Als deel van Zijn Denkgeest zijn mijn gedachten de Zijne en Zijn Gedachten de mijne.

Herinner je dat het egosysteem geboren is uit het idee dat onze gedachten onze eigen gedachten zijn en de Gedachten van God alleen Hem toebehoren en dat die twee elkaar nooit zullen ontmoeten. Bovendien bepalen wij wat de gedachten van God zijn. Deze waanzinnige arrogantie vormt de basis voor de tweede wet van de chaos (T. 23. II. 4-6) waarin God net zo waanzinnig wordt als wij zijn:

De arrogantie waarop de wetten van de chaos berusten, zou niet duidelijker kunnen zijn dan hier naar voren komt. Hier is een principe dat zou willen bepalen wat de Schepper van de werkelijkheid moet zijn, wat Hij moet denken en wat Hij moet geloven en hoe Hij moet reageren nu Hij dit gelooft. Het wordt zelfs niet noodzakelijk geacht dat Hem naar het waarheidsgehalte wordt gevraagd van wat er voor Hem is vastgelegd te geloven. Zijn Zoon kan Hem dit vertellen en Hij heeft slechts de keuze hem op zijn woord te geloven of zich te vergissen. (T. 23. II. 6:1-4)

De waanzin van dergelijk geloof kan makkelijk gecorrigeerd worden eens we de onzin ervan erkennen. De wolken van de afscheiding worden snel uiteengedreven eens we terugkeren naar heelheid en we ons opnieuw voegen in de Eenheid van Liefde die nooit veranderd is en die blijft als de Gedachte van ons Zelf, een met het Zoonschap en met de Geest van God.

zaterdag 13 oktober 2018

Les 58


De volgende serie lessen gaan over onze heiligheid, die kant van onze denkgeest die verborgen is en wordt gehouden door de onheiligheid van het denksysteem van het ego.

(1) Mijn heiligheid omsluit al wat ik zie. (36)

(1:2) Uit mijn heiligheid komt de waarneming van de werkelijke wereld voort.

Wanneer we de innerlijke shift maken en ons identificeren met de liefde van Jezus in plaats van met de haat van het ego, dan breidt die liefde zich door ons uit. We kunnen precies dezelfde wereld blijven waarnemen en de vorm van de droom hoeft daarom niet noodzakelijk gewijzigd te worden, maar nu wordt ze waargenomen met de liefde die in onszelf is. De geboorte van echt mededogen. We hebben geen medelijden met de lichamen van de mensen, maar voor de echte bron van hun lijden en de herkenning dat alle mensen hetzelfde lijden delen.

(1:3-5) Nu ik vergeven heb, zie ik mezelf niet langer als schuldig. Ik kan de onschuld, die de waarheid over mij is, aanvaarden. Door begrijpende ogen gezien is de heiligheid van de wereld het enige wat ik zie, want ik kan alleen de gedachten die ik over mezelf koester als beeld voor me zien.

Dit is een beknopte omschrijving van wat vergeving is: we veranderen onze waarneming waardoor we herkennen dat onze projectie een projectie van een overtuiging over onszelf is. We aanvaarden de illusionaire aard van het egodenksysteem van afscheiding en aanval. Dit laat het principe van onschuld van de Verzoening toe terug te keren naar ons bewustzijn waardoor vervolgens een basis voor een nieuwe waarneming van de wereld volgt.

(2) Mijn heiligheid zegent de wereld. (37)

(2:2-5) De waarneming van mijn heiligheid zegent niet mij alleen. Al wat en wie ik zie in haar licht, deelt in de vreugde die ze mij brengt. Er is niets wat buiten deze vreugde staat omdat er niets is wat mijn heiligheid niet deelt. Wanneer ik mijn heiligheid herken, straalt ook de heiligheid van de wereld uit, zodat iedereen die kan zien.

We is niet enkel een eenheid in het egodenksysteem, maar ook in het denksysteem van de Heilige Geest. Met deze erkenning, geboren uit onze nieuwe waarneming, wordt het geloof van het ego in de afgescheidenheid ongedaan gemaakt door de visie van Christus die het Zoonschap (en dus de wereld) omsluit met zijn heiligheid. Wanneer onze visie niet alles insluit dan is het geen visie. Door ook maar een deel van het Zoonschap uit te sluiten wordt het Geheel evengoed uitgesloten en zo kunnen we ons nooit herinneren dat we de Zoon zijn van God. Het is daarom dat Jezus ons deze woorden, als herinnering, geeft:

Naar jullie vermoeide ogen breng ik een visie van een andere wereld, zo nieuw en zuiver en fris, dat jullie de pijn en smart die jullie voordien zagen, zullen vergeten. Dit is echter een visie die jullie dienen te delen met ieder die je ziet, want anders zal je die zelf niet zien. Deze gave geven is de manier om ze de jouwe te maken. En God heeft, in liefdevolle goedheid, beschikt dat ze voor jullie is. (T. 31 VIII 8:4-7)

(3) Er is niets wat mijn heiligheid niet kan. (38)

(3:2-3 Mijn heiligheid is in haar genezende kracht onbeperkt, omdat ze onbeperkt is in haar verlossende kracht. Wat is er anders dan illusies om van te worden verlost?

We worden niet verlost van de wereld noch van een of ander verschrikkelijk lot en we redden de wereld ook niet voor andere mensen. We zijn gered van onze verkeerde gedachten, van vergissingen die afkomstig zijn uit een keuze voor het ego in plaats van de voor Heilige Geest. En dat heeft niets met de wereld te maken maar alles met onze illusionaire gedachten.

(3:4-6) En wat zijn alle illusies anders dan valse ideeën over mijzelf? Mijn heiligheid maakt ze alle ongedaan door de waarheid over mij te bevestigen. In aanwezigheid van mijn heiligheid, die ik deel met God Zelf, verdwijnen alle afgoden.

Keer op keer zien we dat Jezus naar dit centrale punt terugkeert: de oorzaak van onze misperceptie komt door die ene misperceptie van onszelf dat we niet zijn zoals God ons geschapen heeft. Wanneer deze ene verkeerde gedachte genezen is zijn alle verkeerd genomen beelden van het ego – idolen van speciaalheid – ongedaan gemaakt: één probleem met één onheilige misperceptie; één oplossing, één heilige visie.

(4) Mijn heiligheid is mijn verlossing. (39)

(4:2-3) Aangezien mijn heiligheid me van alle schuld verlost, betekent de erkenning van mijn heiligheid de erkenning van mijn verlossing. Het is ook de erkenning van de verlossing van de wereld.

Het enige probleem van de schuld verdwijnt in de enige oplossing van de heiligheid, met als gevolg dat ook alle problemen verdwijnen. Dus door het genezen van mijn perceptie over mezelf, geneest ook mijn perceptie van de wereld.

(4:4-5) Als ik eenmaal mijn heiligheid heb aanvaard, kan niets mij meer beangstigen. En omdat ik zonder angst ben, moet ieder delen in mijn inzicht, dat Gods geschenk is aan mij en aan de wereld.

De bron voor al onze angst is onze keuze voor het niet compleet zijn van onze individualiteit in plaats van voor de heiligheid van de eenheid van de Zoon van God. En gezien denkgeesten verbonden zijn wordt de ander herinnerd zijn heiligheid te aanvaarden en eenzelfde keuze te maken. Maar dat wil niet zeggen dat iedereen die keuze nu zal maken.

(5) Ik ben als Zoon van God gezegend. (40)

(5:2-8) Hierin ligt mijn aanspraak op al het goede en louter het goede. Ik ben gezegend als Zoon van God. Al het goede is van mij, omdat God het mij heeft toebedacht. Ik kan geen verlies, ontbering of pijn lijden, op grond van Wie ik ben. Mijn Vader steunt me, beschermt me en leidt me in alles. Zijn zorg om mij is oneindig en vergezelt me altijd. Ik ben voor eeuwig gezegend als Zijn Zoon.

Alle verlies, ontbering en pijn ontstaan omdat we vergeten zijn wie we zijn. Dat is het probleem, zonder uitzondering en het is daarom dat er bij wonderen geen rangorde is in moeilijkheden (T. 1. I. 1:1). Wanneer we de hand van Jezus loslaten en in plaats daarvan de hand van het ego nemen, dan komen we automatisch in lijden. Door de strategie van het ego te volgen om onze verkeerde beslissing te beschermen maken we een kloof tussen de oorzaak van het lijden en onze ervaring ervan en geloven we dat we de oorsprong ervan begrijpen: de wereld, onze speciale partner, onze lichamen, onze voeding of wat dan ook. Op die manier zijn we nooit in staat om de werkelijke oorzaak in onze denkgeesten te herkennen. Wanneer we uiteindelijk bij onze zinnen komen en ons bewust worden van onze vergissing keren we terug naar het denksysteem van de Verzoening dat een weerspiegeling vormt van ons ware Zelf, van een Identiteit die volkomen veilig is omdat Ze voorbij alle gedachten van lijden en verlies is. Wanneer we ontwaken uit de lijdensdroom van het ego zijn we thuis bij God, een thuis die we nooit verlaten hebben.


donderdag 11 oktober 2018

Les 57


(1) Ik ben niet het slachtoffer van de wereld die ik zie. (31)

(1:2-9) Hoe kan ik het slachtoffer zijn van een wereld die volledig ongedaan kan worden gemaakt als ik dat verkies? Mijn ketenen zijn los. Ik kan ze afwerpen, gewoon door dat te wensen. De gevangenisdeur staat open. Ik kan vertrekken door eenvoudig naar buiten te gaan. Niets houdt mij in deze wereld vast. Alleen mijn wens te blijven houdt me gevangen. Ik wil mijn waanzinnige wensen opgeven en eindelijk het zonlicht ingaan.

Wanneer dit een wereld is die wij gemaakt hebben, iets wat Jezus ons van in het begin leert, dan is de wereld niet het probleem, maar wel het feit dat wij zelf die wereld gemaakt hebben. We moeten daarom bereid zijn toe te geven dat we verkeerd bezig zijn. We geloven echter dat we gelijk hebben en voelen ons een slachtoffer door de acties van anderen. En herinner je ‘al dat andere’ niet alleen andere lichamen zijn, maar ook ons eigen lichaam. Het lichaam is ook buiten de denkgeest. Het is de denkgeest die bron is van onze ware identiteit.

De gelijkenis van de gevangene die het zonlicht ingaat verwijst naar de beroemde allegorie van de grot door Plato, ‘De republiek’. Het is de moeite om dit kort samen te vatten gezien Jezus in de tekst meerdere keren naar dit verhaal verwijst. De allegorie speelt zich af in een grot waar de gevangenen geketend zijn en wel zo dat ze alleen de binnenmuur van de grot kunnen zien en niet weten dat er achter hen een opening is, een opening waardoor zonnestralen binnenkomen en er op de muur schaduwen zijn van voorbijgangers op een pad dat naast de opening van de grot ligt. Gezien de gevangen niets anders kennen geloven ze dat de schaduwen echt zijn. Een van de gevangenen heeft zich kunnen bevrijden en zich naar het licht gekeerd en leert hierdoor het verschil te zien en te herkennen tussen schijn en werkelijkheid. Hij keert terug naar zijn medegevangenen om hen de waarheid te onderwijzen, maar en hier zijn twee specifieke referenties in de tekst:

Gevangenen die jarenlang in zware ketenen lagen, uitgehongerd en uitgemergeld, zwak en uitgeput en wier ogen zo lang in het donker neergeslagen waren geweest dat zij zich het licht niet meer herinneren, springen niet op van vreugde op het moment dat ze worden bevrijd. Het kost hun een tijdje om te begrijpen wat vrijheid is. (T. 20. III. 9:1-2)

Ogen raken gewend aan het duister en het felle daglicht schijnt pijnlijk voor ogen die lang gewoon zijn aan de schimmige effecten die in het schemerdonker worden waargenomen. En ze wenden zich af van het zonlicht en van de helderheid die dit brengt voor dat waarnaar ze kijken. Halfdonker lijkt beter, is makkelijker te zien en wordt beter herkend. Om de een of andere reden lijkt het vage en meer obscure makkelijker te bekijken en minder pijnlijk voor de ogen dan wat volkomen helder en ondubbelzinnig is. Toch is dit niet waartoe de ogen dienen, en wie kan zeggen dat hij het duister verkiest en tevens volhouden dat hij wenst te zien? (T. 25. VI.2)

We herkennen nu dat we onze eigen cipiers zijn geweest en kunnen daardoor een verstandige beslissing maken: de duisternis verlaten voor het licht. Onze kettingen van schuld en aanval waren slechts de onwil om onze ogen te openen en te zien. Nu kiezen we voor visie.

De volgende alinea herhaald de les:

(2) Ik heb de wereld die ik zie bedacht.

(2:2-3) De gevangenis waarin ik mezelf zie, heb ik gemaakt. Dit is het enige wat ik hoef in te zien en ik ben vrij.

Dit is de reden waarom Jezus blijft zeggen dat deze cursus eenvoudig is. Het enige wat we ons moeten realiseren is dat wij dit gemaakt hebben, dat de wereld een hallucinatie is (T. 20. VIII. 7), alles waarvan we denken dat het ons pijn doet is geen werkelijkheid. De sleutel om deze illusionaire gevangenis van duisternis te openen is altijd aanwezig geweest is onze denkgeest. Uiteindelijk hebben we nu de leraar en de weg die ons helpen om ons te realiseren dat dit vreugdevolle feit inderdaad zo is.

(2:4-8) Ik heb mezelf wijsgemaakt dat het mogelijk is de Zoon van God gevangen te zetten. Ik heb me pijnlijk vergist in deze overtuiging, die ik niet langer wil. De Zoon van God moet eeuwig vrij zijn. Hij is zoals God hem geschapen heeft en niet wat ik van hem wilde maken. Hij is waar God wil dat hij is en niet waar ik hem gevangen dacht te houden.

Dit is een thema dat later in het werkboek meer naar voren komt, l in de lessen 94, 110 en 162 en in de zesde herhaling. Als wij zijn zoals God ons heeft geschapen dan is alles wat het ego en zijn wereld ons hebben geleerd, vals. Nu we herkennen kunnen we er iets aan doen door een andere keuze te maken waardoor we de wereld van duisternis voor altijd verlaten en terugkeren naar de wereld van licht.

(3) Er is een andere manier om naar de wereld te kijken. (33)

(3:2-3) Aangezien het doel van de wereld niet het doel is dat ik eraan heb toegeschreven, moet er een andere manier zijn om ernaar te kijken. Ik zie alles op z’n kop en mijn gedachten zijn het tegendeel van de waarheid.

Om op ‘een andere manier’ naar de wereld te kijken is het nodig dat we toegeven dat we verkeerd zijn geweest. Het is goed om waakzaam te zijn en ons realiseren hoe we koppig blijven vasthouden aan ons gelijk en niet altijd geloven dat de afscheiding werkelijk is, maar er zeker van zijn dat onze percepties juist zijn.

(3:4-6) Ik zie de wereld als een gevangenis voor Gods Zoon. Dan moet het wel zo zijn dat in werkelijkheid de wereld een plaats is waar hij kan worden bevrijd. Ik wil de wereld zien zoals die is en wel als een plaats waar de Zoon van God zijn vrijheid vindt.

Het mag duidelijk zijn dat hier niet verwezen wordt naar de wereld, maar naar onze percepties van de wereld en naar het doel dat wij eraan gegeven hebben. Wanneer wij de wereld het doel gegeven hebben om ons gevangen te houden dan zal hij dat ook zo doen. Wanneer we anderzijds de wereld het doel van vergeving en bevrijding geven, dan zijn we vrij. We zullen op dit belangrijk thema binnenkort terugkomen. Voor nu volstaat het ons te herinneren dat de wijziging van doel een wijziging van leraar inhoudt waardoor we onze perceptie van de wereld als gevangenis van schuld veranderen naar perceptie van een leerschool voor vergeving.

(4) Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien. (34)

(4:2-4) Wanneer ik de wereld als een oord van vrijheid zie, besef ik dat ze de wetten van God weerspiegelt in plaats van de regels die ik bedacht waaraan zij moest gehoorzamen. Dan zal ik begrijpen dat daar vrede en geen oorlog woont. En dan zal ik zien dat er ook vrede huist in het hart van allen die dit oord delen met mij.

Dit verwijst naar de werkelijke wereld die we later grondiger zullen bespreken. Het volstaat nu te zeggen dat het een weerspiegeling is van de werkelijke eenheid en in te zien dat alle delen van het Zoonschap, zonder een uitzondering, hetzelfde gemeenschappelijk doel delen: het verlaten van de gevangenis van strijd voor een plaats van vrede die in alle mensen woont. We wijzigen dus ons doel van schuld naar vrede, van gevangenschap naar vrijheid.

(5) Mijn denkgeest is deel van Die van God. Ik ben heel heilig. (35)

(5:3-5) Terwijl ik de vrede van de wereld met mijn broeders deel, begin ik te begrijpen dat deze vrede diep in mij ontspringt. De wereld waarnaar ik kijk, heeft het licht van mijn vergeving aangenomen en straalt vergeving naar mij terug. In dit licht begin ik te zien wat mijn illusies over mezelf verborgen hielden.

Dit is ook een heel belangrijk thema, vooral in het Handboek voor Leraren (HvL. .Inl. I. 3): we leren door anderen te onderwijzen. Hoe meer ik mijn grieven over jou kan laten vallen door te leren dat er een andere manier van denken is, hoe sterker ik deze gedachte maak. In het licht van deze vergeving zie ik wat mijn illusies voor mij verborgen hebben gehouden. Zoals we gezien hebben bestaat vergeving eruit door ons te verenigen met Jezus en samen de lamp vast te houden die de duisternis uit onze denkgeesten weg schijnt en de illusies van het ego blootstelt aan het licht van de waarheid (T. 11. V.1). Vergeving licht de sluier op van het verdedigingssysteem van het ego en laat ons toe de liefde te zien. Door de projecties van schuld op jou in te trekken weerspiegel ik de bereidheid om de duisternis in mij in te trekken. Door het licht van de waarheid te op onze illusies te laten schijnen ontstaat er een vrede in onze denkgeest die daarvoor slechts in conflict geloofde.

(5:6) Ik begin de heiligheid van al wat leeft, mezelf incluis, te begrijpen en hun eenheid met mij te verstaan.

Dit is wat voorbij de overtuiging van het ego ligt, nl. dat wij kinderen zijn van afscheiding, speciaalheid, schuld en angst. Deze onheiligheid bedekt onze ware heiligheid als kinderen van liefde, een heiligheid die gedeeld wordt door alle ‘levende dingen’, mezelf incluis. We kunnen daarom onheiligheid gelijkstellen met afscheiding en heiligheid met eenheid.