maandag 4 juni 2018

Les 41 - God vergezelt me, waar ik ook ga. – deel 1


Dit is duidelijk een gelukkige gedachte. Jezus zegt ons hier dat de herinnering aan God in onze denkgeest is waar de Heilige Geest verblijft en dus altijd met ons is. In die zin is God inderdaad altijd bij ons, waar we ook gaan. Naarmate we dieper ingaan op de les zal dit steeds duidelijker worden.

(1). Het idee van vandaag zal uiteindelijk het gevoel van eenzaamheid en verlatenheid dat alle afgescheidenen ervaren volledig overwinnen. Depressiviteit is een onvermijdelijke consequentie van afscheiding. Net als verontrusting, tobberij, een diep gevoel van hulpeloosheid, ellende, lijden en intense angst voor verlies.

Indirect komt hier het belangrijke thema rond oorzaak en gevolg aan bod. Al onze problemen zijn gelijk en afkomstig van dezelfde oorzaak: het geloof dat we afgescheiden zijn van God. De gevolgen van deze vergissing zijn bezorgdheid, depressiviteit, ellende, lijden en angst voor verlies. Onze ego’s zijn bijzonder bekwaam wanneer het gaat om de waarheid te verduisteren zover zelfs dat we overtuigd zijn van de oorsprong van ons ongelukkig zijn en dat is alles behalve de beslissing van de denkgeest voor de schuld.

Dus wanneer ik weet dat waar ik ook ga God mij vergezelt en dat omdat Hij in mijn denkgeest is dan wil dat ook zeggen dat ik Hem niet verlaten heb en dat Hij mij ook niet verlaten heeft. Dat wil ook zeggen dat ik Hem niet gedood heb en dat ik niet afgescheiden ben van Hem. Wanneer ik deze waarheid van de Verzoening aanvaard dan kan ik niet depressief zijn, eenzaam, bezorgd of angstig. 

Deze emoties zijn het resultaat van schuld, maar kunnen wanneer er geen geloof is in een afscheiding, niet bestaan. De manier om te weten te komen dat ik in de afscheiding geloof is door me gewaar te worden van mijn gevoelens van angst, zorgen en ongelukkig zijn. Daarom is het zo essentieel om negatieve gevoelens niet te bedekken. Wanneer we dat doen is er letterlijk geen hoop. Hoop ligt in het Wanneer we in eerste instantie ons ongemak en onze wanhoop herkennen dan kunnen we ons vervolgens realiseren dat dit slechts het gevolg is van een gedachte dat God niet gaat waar wij gaan omdat wij Hem gedood hebben. Deze gedachte aan zonde kan gelukkig omgedraaid worden.

We dienen te leren dat we ons vergist hebben en dat we nu gelukkige leerlingen willen zijn die blij zijn dat we verkeerd zijn geweest. Wil je geluk of wil je gelijk (T29.VII.1:9:) is een gedachte die niet genoeg kan geciteerd worden. Wanneer je investeert om je gelijk te halen kan je niet gelukkig zijn. 

De enige manier waardoor je echt kan weten dat je gelijk hebt is door te weten dat God je altijd vergezelt waar je ook gaat en er dus geen enkele rancuneuze gedachte bij je opkomt in tegenstelling tot de onvrede die het ego je influistert.

(2:1-2) De afgescheidenen hebben vele ‘remedies’ uitgevonden tegen wat zij menen dat de ‘kwalen van de wereld’ zijn. Maar het enige wat ze niet doen is de realiteit van het probleem in twijfel trekken.

Het ego heeft ons ervan overtuigd dat de afscheiding echt is en dit is zo’n afschuwelijke gedachte dat we er nooit kunnen naar kijken zonder erdoor vernietigd te worden. Zoals Jezus uitlegt in de tekst:

Luidkeels maant het ego jou niet naar binnen te kijken, want als je dat doet zullen je ogen op zonde stuiten en zal God jou met blindheid slaan. Dit is wat jij gelooft en dus kijk je niet. (T. 21. IV. 2:3-4)

Het ego raadt ons dus aan weg te lopen van de denkgeest, het thuis van de afscheidingsgedachte en bouwt de ene verdediging na de andere op, zet muur boven muur boven muur, alles met als doel onze aandacht in de wereld en het lichaam te houden. Zolang we ons hier niet bewust van zijn zullen we nooit de werkelijkheid van het probleem’ (in de denkgeest) in vraag stellen.

(2:3) Voor de gevolgen ervan bestaat echter geen remedie, aangezien het probleem niet reëel is.

Onze pogingen om een probleem in de wereld te genezen, of dat nu in ons persoonlijk leven is of de wereld in het algemeen, zullen nooit succesvol zijn. Het is mogelijk dat de symptomen tijdelijk zullen verdwijnen, maar we zullen nog steeds blijven geloven dat het probleem - de oorzaak – werkelijk is.  Ondanks hun pijn blijft constante aandacht geëist, maar de onderliggende oorzaak van de symptomen blijft onopgemerkt en het ego blijft triomfantelijk regeren tot het moment dat we uitroepen: ‘Er moet een andere manier zijn!’ en we onze Leraar toestaan ons te helpen om voorbij het gevolg naar de oorzaak te kijken en dit veranderd kan worden.

(2:4-5) Het idee voor vandaag bezit de kracht aan al deze dwaasheid voorgoed een eind te maken. En dwaasheid is het, ondanks de ernstige en tragische vormen die het aannemen kan.

Belangrijk is hier dat Jezus niet het woord ‘zondig’ gebruikt, maar dit eenvoudig uitdrukt als ‘dwaasheid’. Wat hij hier doet is te vergelijken met wat hij ons leert in het deel ‘de held van de droom’ waar hij zegt dat ons probleem is dat we vergeten te lachen om een nietig dwaas idee, dat de Heilige Geest naar onze bezorgdheid kijkt en dit toelacht, niet spottend, maar met een vriendelijkheid die weet dat onze verwarring niet werkelijk is. Dit thema keert doorheen de hele Cursus in Wonderen telkens terug, maar de volgende passage op het eind van hoofdstuk 27 is wel heel typerend:

Met mild gelach neemt de Heilige Geest de oorzaak waar en kijkt niet naar de gevolgen. Hoe zou Hij anders jouw dwaling kunnen corrigeren, jij die de oorzaak volkomen over het hoofd hebt gezien? Hij nodigt jou uit ieder verschrikkelijk gevolg bij Hem te brengen, zodat jullie samen naar de dwaze oorzaak ervan kunnen kijken en jij met Hem een ogenblik kunt lachen. Jij beoordeelt gevolgen, maar Hij heeft hun oorzaak beoordeeld. En door Zijn oordeel zijn de gevolgen weggenomen. Misschien kom jij in tranen. Maar hoor hoe Hij zegt: ‘Mijn broeder, heilige Zoon van God, aanschouw je ijdele droom waarin dit kon gebeuren.’ En je zult het heilig ogenblik verlaten met jouw lachen en dat van jouw broeder, vergezeld van het Zijne. (T. 27. VIII. 9)

(wordt vervolgd)

zaterdag 2 juni 2018

Les 40 - Ik ben als Zoon van God gezegend.


1. Vandaag zullen we beginnen aanspraak te maken op enkele van de vreugden waarop jij recht hebt omdat je bent wat jij bent.

Zoals eerder reeds besproken maakt Jezus in deze lessen duidelijk dat onze denkgeesten afgesplitst zijn in een deel dat schuld en aanvalsgedachten adoreert, terwijl het ander gedeelte de herinnering bevat van Wie we in werkelijkheid zijn.

(1:2-6) Vandaag worden er geen lange oefenperioden van je verlangd, maar zijn heel regelmatige korte noodzakelijk. Eenmaal per tien minuten zou heel wenselijk zijn en je wordt ernstig aangeraden je op dit tijdschema toe te leggen en waar enigszins mogelijk je eraan te houden. Mocht je het vergeten, probeer het opnieuw. Mochten er lange onderbrekingen zijn, probeer het opnieuw. Telkens wanneer het je weer te binnen schiet, probeer het opnieuw.

De oefeningen voor vandaag wijken af van de vorige door de afwezigheid van langere oefenperioden. Daarnaast gaat hij verder met een streng, doch vriendelijk verzoek om te proberen ons onze oefenperioden te herinneren – per uur zo vaak mogelijk – en als we het vergeten dit niet te zien als een zonde. Het is vrij duidelijk dat hij weet dat we dat zullen doen.
De volgende alinea is heel belangrijk omdat dit ons helpt in te zien dat deze oefeningen de hele tijd door moeten toegepast worden of we nu in een rustige kamer aan het mediteren zijn of met zaken bezig zijn. Wij hoeven onze ogen niet te sluiten om ons God en Zijn Zoon te herinneren.

(2) Je hoeft voor de oefenperioden je ogen niet te sluiten, hoewel je waarschijnlijk zult merken dat het beter gaat als je dat wel doet. Maar in de loop van de dag kun je in een aantal situaties komen waarin het niet uitvoerbaar is om je ogen te sluiten. Loop hierom geen oefenperiode mis. Je kunt onder alle omstandigheden heel goed oefenen, als je dat werkelijk wilt.

Het maakt dus niet uit waar je, gedurende de dag, bent of je nu met de auto rijdt, samen met een vriend aan tafel zit, rustig alleen bent, aan het werk bent, je kan je de les van vandaag herinneren.

(3) De oefeningen van vandaag vragen weinig tijd en geen inspanning. Herhaal het idee voor vandaag en voeg er vervolgens verscheidene eigenschappen aan toe die jij associeert met een Zoon van God en pas die dan toe op jezelf. Eén oefenperiode kan er bijvoorbeeld zo uitzien:

Ik ben als Zoon van God gezegend.
Ik ben gelukkig, vredig, liefdevol en voldaan.

Een andere kan deze vorm hebben:

Ik ben als Zoon van God gezegend.
Ik ben kalm, rustig, zeker en vol vertrouwen.

Staat je maar weinig tijd ter beschikking, dan volstaat het eenvoudig tegen jezelf te zeggen dat je gezegend bent als Zoon van God.

Jezus vraagt ons om deze universele weergave van onze Identiteit specifieker te benoemen waardoor we het persoonlijker maken voor onszelf. In de laatste regels van de les wordt dan herhaald dat we hiervoor niet echt een rustige plaats nodig hebben of dat we er een bepaald tijdstip moeten voor uittrekken.
Jezus onderstreept hiermee zijn onderricht dat we, zolang wij ons identificeren met een lichaam, tijd en ruimte nodig hebben, bijv. met rituelen.  Maar aangezien de ultieme les van Jezus is dat wij denkgeest zijn, is het ons afwenden van onze afhankelijkheid aan uiterlijke dingen, een belangrijke stap in de richting voor de identificatie met onze denkgeest: de bron van onze gelukzaligheid, evenals de geboorteplaats van onze weerstand tegen de acceptatie van Wie we werkelijk zijn.

donderdag 31 mei 2018

Les 39 - Mijn heiligheid is mijn verlossing. – deel 4


(5) Voor de vier langere oefenperioden vandaag valt een volle vijf minuten beslist aan te raden en het doen van langere en frequentere oefensessies verdient aanmoediging. Als je het minimaal vereiste te boven wilt gaan, worden eerder méér dan langere sessies aanbevolen, met overigens de suggestie beide te doen.

We zien hier opnieuw hoe Jezus ons liefdevol aanmoedigt in ons oefenen. Het is duidelijk dat hij wil dat we gedurende de dag zo dikwijls mogelijk aan hem en aan zijn boodschap denken, hij wil echter niet dat wij enige vorm van dwang voelen omdat dwang meestal angst met zich meebrengt.

(6) Begin de oefenperioden zoals gewoonlijk met het idee van vandaag voor jezelf te herhalen. Spoor dan met gesloten ogen je liefdeloze gedachten op, in welke vorm ze maar opdoemen: onbehagen, depressiviteit, kwaadheid, angst, bezorgdheid, agressie, onzekerheid, enzovoort. Welke vorm ze ook aannemen, ze zijn liefdeloos en daarom beangstigend. En dus zijn zij het waarvan jij moet worden verlost.

Dit is een treffende en niet mis te verstane uitspraak dat jij gered moet worden van jouw gedachten. Het probleem is echter dat we ze niet kennen omdat we denken dat onze gedachten een vlucht hebben genomen en buiten ons bestaan. Dat is de reden waarom er zo de nadruk gelegd wordt op het belang van het onderzoeken van onze gedachten. Een van de meest belangrijke thema’s van deze lessen is inderdaad het gedachtenonderzoek van onze liefdeloze gedachten. Sporadisch zegt Jezus om ook eens te zoeken naar de liefdevolle, zoals binnenkort zal blijken, maar in het algemeen ligt zijn focus op de liefdeloze gedachten omdat zij het probleem vormen en het zijn deze gedachten die we naar het licht van de waarheid moeten brengen. Eens de duisternis ervan verdreven is verschijnen eenvoudig de liefdevolle gedachten ervoor in de plaats.

(7) Specifieke situaties, gebeurtenissen of personen die jij associeert met allerlei liefdeloze gedachten zijn geschikte onderwerpen voor de oefeningen van vandaag. Het is voor jouw verlossing geboden dat jij ze anders gaat zien. Het is immers je zegen daarover die jou zal verlossen en visie geven.

Dit is een zeer rake uitspraak: ‘Het is voor jouw verlossing geboden dat jij ze anders gaat zien.’ Hoe kan je ze anders zien als je ze al helemaal niet ziet? Daarom is het dat jij je denken moet onderzoeken op liefdeloze gedachten. Jezus heeft je reeds verteld dat hij weet dat jij niet begrijpt waar hij het over heeft. Meer zelfs, je zal vast en zeker zijn onderricht niet aanvaarden omdat je niet gelooft dat schuld de hel is. Daarom moet je niet doen alsof je een fantastische student bent en dat je alles in deze lessen geloofd. Wat jou een fantastische student van Een Cursus in Wonderen maakt is dat jij jezelf vergeeft dat je niet alles wat hier staat geloofd. Herinner je dat het de bedoelingidee is je liefdeloze gedachten naar zijn liefde te brengen om ze op die manier te herinterpreteren. Het is essentieel dat je de aanwezigheid ervan herkent en aanvaardt en dit ten behoeve van je genezing en verlossing.

(8) Onderzoek je denkgeest langzaam op elke gedachte die tussen jou en je verlossing staat, zonder bewust te selecteren en zonder speciaal op één daarvan te veel de nadruk te leggen. Pas op elk het idee voor vandaag als volgt toe:

Mijn liefdeloze gedachten over __ houden mij in de hel.  Mijn heiligheid is mijn verlossing.

Om deze belangrijke uitspraak nog maar eens te benoemen, dit is wat Jezus in de tekst bedoelt waar hij zegt:

Het is niet jouw taak op zoek te gaan naar liefde, maar enkel in jezelf alle hindernissen te zoeken die jij ertegen opgeworpen hebt en die te vinden. (T. 16. IV.6:1)

Dit aspect van ons vergevingsproces is zo essentieel dat het in bijna elke les zou kunnen herhaald worden. We moeten voortdurend waakzaam zijn voor onze liefdeloze gedachten ten einde ze naar de Aanwezigheid van Liefde in onze denkgeest te brengen die ze zachtaardig zal wegschijnen. Onze taak, nogmaals, is eerder te zoeken en te vinden, het verwijderen behoort toe aan de Heilige Geest.
Het vervolg van de les bevat verdere begeleiding en instructies voor de dagelijkse oefeningen. Merk vooral de vriendelijke herinnering op dat we uiteindelijk nog maar aan het begin staan van onze reis:

(9) Je zult deze oefenperioden wellicht makkelijker vinden als je ze afwisselt met verscheidene korte perioden waarin je het idee van vandaag alleen een paar maal langzaam voor jezelf herhaalt. Misschien helpt het je ook om een paar korte momenten in te lassen waarin je je gewoon ontspant en schijnbaar nergens aan denkt. Concentratie volhouden is in het begin heel moeilijk. Het zal veel makkelijker worden naargelang je denkgeest meer gedisciplineerd raakt en zich minder laat afleiden.

‘Concentratie volhouden’ wordt een van onze eigenschappen naarmate we een meer gevorderd begrip hebben bereikt en we meer in staat zijn om aan Jezus en zijn boodschap van vergeving te denken. Het bereiken van de werkelijke wereld, het ultieme doel van Een Cursus in Wonderen, komt wanneer onze concentratie permanent wordt – de juist gerichte correctie die het onjuist-gerichte probleem ongedaan heeft gemaakt en enkel de herinnering aan God die gloort op onze genezen en heilige denkgeesten.

(10) Voel je intussen vrij om in de oefenperioden elke vorm van variatie aan te brengen die je maar aanspreekt. Maar verander het idee zelf niet terwijl je de methode van toepassing varieert. Hoe je het idee ook verkiest te gebruiken, het moet zo geformuleerd worden dat zijn betekenis het feit blijft behouden dat jouw heiligheid je verlossing is. Beëindig elke oefenperiode door het idee nog eens in zijn oorspronkelijke vorm te herhalen en eraan toe te voegen:

Als schuld de hel is, wat is dan het tegendeel?

Jezus introduceert hier het idee dat we soepel kunnen zijn in onze oefeningen, maar doet duidelijk ook een oproep om een begin te maken met het veralgemenen van het proces op alle situaties en omstandigheden. Door ons aan te manen het idee niet te veranderen, introduceert hij, op een zachte manier, het belangrijke thema van inhoud en vorm; in de vorm waarin we vergeving of liefde uitdrukken mogen we variatie brengen zolang de inhoud ervan maar dezelfde blijft.
De laatste alinea moedigt ons aan om gedurende de dag meer en meer bewust te zijn om het idee van de dag toe te passen wanneer we in de verleiding komen te luisteren naar het dogma van het ego over schuld:

(11). Bij de korte toepassingen, die ongeveer drie tot vier keer per uur gedaan moeten worden en zo mogelijk meer, kun jij jezelf deze vraag stellen, het idee van vandaag herhalen en liefst beide doen. Wanneer zich verleidingen voordoen, is een bijzonder nuttige vorm van het idee deze:

Mijn heiligheid is mijn verlossing hiervan.
Op die manier kunnen we snel inspelen op de verleidingen van onze ego’s om ons schuldig en angstig te voelen en zullen we in die mate vooruitgang boeken in het doel om te weten dat onze heiligheid onze verlossing is en dat we heilig zijn.

dinsdag 29 mei 2018

Les 39 - Mijn heiligheid is mijn verlossing. – deel 3


(3:1-3) We hebben al gezegd dat jouw heiligheid de verlossing van de wereld is. En je eigen verlossing dan? Je kunt niet geven wat je niet hebt.

De wereld is niets meer dan een spiegel van wat jij gelooft dat je bent en daarom is de verlossing van de wereld en van jezelf een en hetzelfde.
Hebben en geven, geven en ontvangen, hebben en zijn - zijn in de Cursus gelijk (zie hiervoor bijv. T. 6. V) en daarom ook hetzelfde. Wanneer de werkelijkheid van liefde, die de enige werkelijkheid is, een perfecte onverdeelde eenheid is en niets anders, dan is wat ik ben dat wat ik heb en wat ik geef is wat ik ontvang: want nogmaals het is allemaal hetzelfde. Het is een synoniem voor de dynamiek die zegt dat liefde is en dat er niets anders is dan liefde. In deze wereld is hebben, zijn, geven en ontvangen natuurlijk verschillend. Wanneer ik jou iets geef dan heb ik het niet langer. De betekenis benadrukt meer onze noodzaak om de Verzoening voor onszelf te accepteren en niet voor iemand anders. Ik kan een ander niet helpen wanneer ik een ongenezen genezer blijf (T. 9.V). De volgende regel maakt dit duidelijk:

(3:4-5) Een verlosser moet verlost zijn. Hoe kan hij anders verlossing uitdragen?

Niets in Een Cursus in Wonderen zal voor jou enige betekenis hebben – intellectueel noch in je ervaring – tenzij jij je realiseert dat alles één is, zowel binnen de droom van het ego als in de Hemel. De schuld in jouw onjuist gerichte denken is dezelfde schuld in ieders denken. Net zo is je juist gerichte denken. Wanneer je iemand vergeeft dan vergeef je iedereen omdat iedereen gelijk is. Vergeving moet daar beginnen en eindigen waar het nodig is, in ons denken, daar waar de oorspronkelijke keuze voor de schuld werd gemaakt. We hebben gezien dat als we de verlossing voor onszelf aanvaarden het automatisch door ons uitgebreid wordt om het hele Zoonschap als één te omarmen.

(3:6) De oefeningen van vandaag gelden voor jou, in het besef dat jouw verlossing doorslaggevend is voor de verlossing van de wereld.

Ik hoef me geen zorgen te maken om de wereld te redden of om een schrikbarende toestand te verbeteren of dit nu algemeen is of persoonlijk. Ik moet enkel ‘bezorgd’ zijn om mezelf te redden, wat wil zeggen dat ik Jezus vraag mij te helpen anders te kijken naar de verkeerde beslissingen en gedachten die ik gemaakt heb.

(3:7) Wanneer jij de oefeningen op jouw wereld toepast, strekt dat de hele wereld tot voordeel.

Gezien vanuit het standpunt van de wereld houdt dit natuurlijk geen enkele steek. Dus, wanneer studenten deze les benaderen vanuit een denken dat zij nog steeds werkelijk iemand zijn die in een wereld leven die zij kunnen redden, dan interpreteren ze het onderricht van Jezus, dat er geen wereld is, verkeerd, iets wat later in het werkboek meer aandacht zal krijgen (les 132). Hier leert hij ons dat wanneer ik mezelf red en ik Jezus als mijn leraar neem in plaats van het ego, de hele wereld gered is. De eenheid van de wereld weerspiegelt de eenheid van ons denken, een eenheid die een blijft met zichzelf gezien ideeën hun bron niet verlaten.

(4:1-2) Jouw heiligheid is het antwoord op elke vraag die ooit werd gesteld, nu wordt gesteld of in de toekomst gesteld zal worden. Jouw heiligheid betekent het einde van schuld en daarmee van de hel.

Telkens we iemand anders aanvallen of dat nu in onze gedachten, met woorden of door acties is, proberen we te bewijzen dat we niet heilig zijn en liefde niet waardig zijn. Hiervoor is er maar één motivatie: het behouden van je schuld. Wanneer jij schuldig bent dan heb jij gelijk en is Jezus verkeerd omdat hij je zegt dat je heilig bent. Je moet voeling zien te krijgen met de onderliggende motivatie die wil bewijzen dat schuld niet de hel, maar de hemel is. Eenmaal gevangen in de maalstroom van de schuld zal je denksysteem zich snel ontvouwen om de schuld op iemand anders te laten rusten en niet op jezelf. Een dergelijke projectie is de hemel voor het ego, gezien het de niet-vergevingsgezindheid van onszelf beschermt. (Wd2. 1.2) en daarom onze individuele en met schuld beladen identiteiten. Het behouden van deze identiteit is de ultieme motivatie voor onze oordelen en aanvalgedachten.

(4:3) Jouw heiligheid is de verlossing van de wereld en van jou.

Waarom? Omdat ze exact hetzelfde zijn: ideeën verlaten hun bron niet.

(4:4-6) Hoe zou jij, aan wie jouw heiligheid toebehoort, er dan van uitgesloten kunnen zijn? God kent geen onheiligheid. Kan het zijn dat Hij Zijn Zoon niet kent?

Zoals het in de tekst stevig onderbouwd wordt (bijv. T. 4. I. 2:6, 11-12; II.8:6-7) geeft Jezus hier duidelijk te verstaan dat God niet afweet van deze wereld. Dit is een onheilige wereld die afkomstig is van een onheilige gedachte en God kent Zijn Zoon niet in een onheilige staat. Indien Hij dit wel zou doen dan zou deze onheilige staat werkelijk zijn en zou dualiteit de waarheid zijn van het Koninkrijk. Ook al is het ego sterk verontwaardigd wanneer het verteld wordt dat God niet van deze wereld afweet, toch is dit de meest troostende gedachte die er is. Wanneer God van jou niets afweet, dan besta jij, als afgescheiden zoon van God, niet. Maar wat God wel weet bestaat wel: het Zelf die je werkelijk bent.
(wordt vervolgd)

zondag 27 mei 2018

Les 39 - Mijn heiligheid is mijn verlossing. – deel 2


(2:1-4) Als schuld de hel is, wat is dan het tegendeel? Dit is toch echt niet moeilijk. De aarzeling die je misschien voelt bij het beantwoorden hiervan is niet te wijten aan de dubbelzinnigheid van de vraag. Maar geloof je wel dat schuld de hel is?

Dat is het probleem. We geloven dat schuld de hemel is maar zijn ons hier niet bewust van. In ‘de blokkades voor vrede’ is er een sectie die ‘de aantrekking van schuld’ heet (T. 19. IV. A. i) en waarin Jezus het heel specifiek heeft over onze aantrekking om schuld in andere mensen te zien. Het is echter duidelijk dat wanneer ik het in anderen zie ik het in mezelf werkelijk hou. Dat is het probleem. We geloven dat schuld de hemel is en heiligheid de verdoemenis. In de tekst zegt Jezus dat onze echte angst niet voor de kruisiging is maar voor de redding of heiligheid (T. 13. III. 1:10-11). In de aanwezigheid van deze heiligheid – het Verzoeningsprincipe dat onze redding is – verdwijnt ons concept over ons zelf of onze individualiteit, het ego is weg net zoals onze valse oplossingen. Er blijft niets anders over dan het licht van de waarheid en dit is wat ons werkelijk bang maakt. Dit is het probleem.

Schuld brengt individualiteit voort omdat het ons zegt nooit naar binnen te kijken in onze denkgeest. Onze schuld en zelfhaat is zo overweldigend dat wanneer we er maar even dichterbij zouden komen we vrezen dat we vernietigd zullen worden. Dus door de strategie van het ego te volgen maken we een lichaam en een wereld om deze ‘afschuwelijke’ waarheid over onszelf te verbergen. Deze dynamiek, die het ware doel van ons lichaam blootlegt, wordt in de volgende passage uit de tekst heel duidelijk vertolkt. Daar waar er verwarring zou kunnen zijn werden er de desbetreffende zelfstandige naamwoorden naast gezet:

De cirkel van angst ligt net onder het niveau dat het lichaam ziet en lijkt het hele fundament te zijn waarop de wereld rust. Hier (de wereld) bevinden zich al de illusies, de vervormde gedachten, de waanzinnige aanvallen, de woede, de wraak en het verraad, die gemaakt werden om de schuld te verankeren, zodat daaruit (de schuld) de wereld kon ontstaan die hem (de schuld) verborgen moest houden. Zijn (de schuld) schaduw stijgt voldoende naar de oppervlakte om te zorgen dat zijn meest uitwendige verschijningsvormen in het duister blijven en daar (de wereld) wanhoop en eenzaamheid zaaien en maken dat het daar (de wereld) vreugdeloos blijft. De intensiteit van de schuld wordt echter versluierd door zijn (de schuld) zware omhulsels en blijft gescheiden van dat (de wereld) wat werd gemaakt om hem (de schuld) verborgen te houden. Het lichaam kan dit (de schuld) niet zien, want het lichaam ontstond hieruit (de schuld) om hem (de schuld) te beschermen door hem (de schuld) aan het oog te onttrekken. De ogen van het lichaam zullen hem (de schuld) nooit te zien krijgen. Maar ze zullen wel zien wat hij (de schuld) dicteert.
Het lichaam zal de boodschapper van schuld blijven en zal handelen zoals hij (de schuld) dat bepaalt, zolang jij gelooft dat schuld realiteit is. Want de realiteit van schuld is de illusie die hem (de schuld) zwaar, ondoorzichtig en ondoordringbaar lijkt te maken en een reëel fundament voor het denksysteem van het ego. Zijn (de schuld) ijlheid en doorzichtigheid zijn niet duidelijk tot je het licht er (de schuld) achter ziet. En dan zie je dat hij (de schuld) een tere sluier is voor het licht. (T. 18. IX. 4-5)

We zijn er ons dus niet bewust van dat schuld de keuze is voor het bewaren van onze individualiteit en dat we denkbeeldige gedachten maken die gelijk zijn aan zonde en schuld die om straf vragen. Dit alles wordt geprojecteerd in de wereld en het lichaam die daarmee de verschrikking van onze schuld verborgen houdt. Wanneer Jezus dan vraagt: ‘Geloof jij dat schuld de hel is?’, antwoorden wij heel nadrukkelijk: ‘Nee’. En het bewijs dat we dit zo beantwoorden is omdat we geloven dat we hier zijn als lichamen en persoonlijkheden. Jezus weet dat dit in het waargenomen universum een feit is, iets wat duidelijk in zijn vervolg hierop naar voren komt:

(2:5-6) Zo ja, dan zou je onmiddellijk zien hoe direct en simpel het tekstboek is en helemaal geen werkboek nodig hebben. Niemand heeft oefening nodig om te verkrijgen wat hij al heeft.

Dit is het antwoord van Jezus wanneer je zegt dat je zijn Cursus niet begrijpt, dat het te gecompliceerd is, te moeilijk of te ingewikkeld. Hij zegt jou hier dat dit niet het probleem is. Door te zeggen - en dat is een regel die we al eerder hebben aangehaald - ‘En God denkt daar anders over’ (T. 23. I.2:7), zegt Jezus jou: ‘Ik denk daar anders over.’ Het probleem is dat jij gelooft dat schuld de hemel is en je gelooft niet dat schuld de hel is en dat jouw heiligheid jouw redding is. Het is duidelijk dat Jezus hier niemand aanvalt of veroordeelt. Hij vertelt jou eerder: ‘Je zal niet in staat zijn deze cursus te leren zolang je niet luistert naar wat ik je vertel. Breng mij al jouw angst die je voor dit leren hebt zodat ik je kan onderwijzen dat Een Cursus in Wonderen je kan helpen en je niet zal kwetsen. Dat Liefde je niet zal verlaten, niet zal verraden en je niet zal kruisigen, maar je enkel zal aanvaarden als de Christus die je bent. En het is die liefde die je vreest.’

Deze passage doet ook een beroep op onze nederigheid. Jezus maakt ons hier op een liefdevolle manier duidelijk dat we op spiritueel vlak nog steeds kinderen zijn - baby’s in het ego-bos - die een oudere broer nodig hebben die met liefde zijn hand naar hen uitsteekt en hen erdoorheen leidt. Zolang we ons met ons fysiek en psychisch zelf identificeren hebben we Een Cursus in Wonderen nodig als het middel waarmee Jezus ons door het donkere struikgewas van het egodenksysteem leidt naar het licht van de waarheid dat er voorbij schijnt. Het is enkel de arrogantie van het ego die ons wil doen geloven dat we deze hulp niet nodig hebben.


(wordt vervolgd)

zaterdag 26 mei 2018

Les 39 - Mijn heiligheid is mijn verlossing. – deel 1


(1:1) Als schuld de hel is, wat is dan het tegendeel?

Er zijn twee manieren om deze vraag te beantwoorden. Op het ene niveau en het meest voor de hand liggend is het antwoord de titel van de les: het tegengestelde van schuld is heiligheid, het tegengestelde van hel is verlossing. In de tweede alinea zullen we het echter hebben over een andere tegenstelling nl. dat ‘schuld is de hemel’ is.

(1:2) Net als het tekstboek waarvoor dit werkboek is geschreven, zijn de ideeën die voor de oefeningen worden gebruikt heel eenvoudig, heel helder en volstrekt ondubbelzinnig.

Dit is niet wat de meeste studenten van Een Cursus in Wonderen geloven over de tekst. Het probleem is dat eens je begrijpt wat de Cursus zegt, wat zoveel wil zeggen als dat je al je schuld van je hebt afgezet, alle speciaalheid en investering in het zijn van een individueel wezen. Wat dan overblijft is de waarheid. Een Cursus in Wonderen wordt dan vanuit die staat van denkgeest gelezen en alles is ‘eenvoudig, … helder, … ondubbelzinnig.’ Wat het moeilijk maakt om de Cursus te begrijpen is niet het taalgebruik, niet het gebruik van pentameters of een of ander aspect van de vorm ervan, maar de onbereidwilligheid om het te begrijpen. Dit is niet bedoeld als een aanval of veroordeling, maar om je te helpen in te zien waarom het zo moeilijk is hem te begrijpen, laat staan om hem in de praktijk te brengen. Zolang je blijft investeren om je denken te verbergen door je lichaam als echt te zien en je individualiteit als je hoogste goed, dan zal je wat de Cursus je vertelt als een ernstige bedreiging zien. Een natuurlijke verdediging tegen deze dreiging is dus verdoezelen wat gezegd wordt.

Je kan Een Cursus in Wonderen niet begrijpen wanneer je het niet eerst binnen laat komen. Echter, eens je dit doet, zal je merken dat als je iets gelezen hebt wat een week, maand of jaar geleden helemaal niets voor je betekende, de woorden nu ineens van het blad afspringen en heel duidelijk en ondubbelzinnig zijn. Dus wanneer Jezus hier zegt - en hij zegt dit op verschillende plaatsen -  dat zijn cursus eenvoudig en duidelijk is, dan lacht hij je niet uit of spot hij niet met je. Hij zegt eenvoudig dat wanneer het niet duidelijk en eenvoudig is dit komt omdat je ertegen vecht, een uitspraak die hij in de tekst maakt en die oorspronkelijk bedoeld was voor Helen:

Deze cursus is volkomen helder. Als je hem niet helder ziet, komt dit doordat je er een interpretatie aan geeft die ertegen indruist, waardoor je hem niet gelooft. En aangezien geloof de waarneming bepaalt, neem je niet waar wat hij betekent, waardoor je hem niet accepteert. (T. 11.VI.3:1-3)

(1:3-4) Het gaat ons niet om intellectuele hoogstandjes of spelletjes logica. We houden ons alleen bezig met het zeer voor de hand liggende, dat over het hoofd werd gezien in het waas van complexiteit waarin jij denkt dat je denkt.

Dit geldt ook voor onze gedachten die we denken te denken. We hebben echter inmiddels geleerd dat we helemaal niet denken. Onze gedachten zijn eerder schaduwen van de angstgedachte van de denkgeest. De onderliggende dynamiek hier is onze angst voor de helderheid van Een Cursus in Wonderen.

Het onderricht van de Cursus schijnt als een zon door ons denken en we worden zo bang voor dit licht dat we snel wolken produceren, wolken, wolken en nog meer wolken. Deze verdedigingen, die elders omschreven worden als symbolen voor schuld (T. 13. IX) of ‘rookgordijnen’ (Wd1. 133. 12:3) ‘beschermen’ ons voor het licht van de waarheid van die ‘zon’. In de context van deze passage staan de wolken symbool voor onze beredeneerde poging hem te begrijpen en te verdedigen tegen de eenvoud van dit onderricht. De eenvoudige waarheid kan echter alleen maar ervaren worden en niet door het brein worden begrepen worden. Zoals Jezus in de tekst ‘complexiteit’ uitlegt:

Gecompliceerdheid is eigen aan het ego, en is niets anders dan een poging van het ego om te versluieren wat overduidelijk is. (T. 15. IV. 6:2)

Complexiteit komt niet van God. Hoe zou dat ook kunnen, wanneer alles wat Hij kent één is? Hij kent één schepping, één werkelijkheid, één waarheid en slechts één Zoon. Niets is met eenheid in strijd. Hoe zou er in Hem dan complexiteit kunnen zijn? (T. 26. III. 1:1:5)

(wordt vervolgd)

donderdag 24 mei 2018

Les 38 - Er is niets wat mijn heiligheid niet kan. – deel 2


(3:1-3) Als jij heilig bent, dan is alles wat God geschapen heeft dat ook. Jij bent heilig, omdat al wat Hij geschapen heeft heilig is. En al wat Hij geschapen heeft is heilig, omdat jij dat bent.

‘Wanneer ik heilig dan is alles wat God geschapen heeft dit ook’ omdat wat God geschapen heeft Een is. Wanneer je liefdevolle en inspirerende zinnen zoals deze leest dan moet je verder doordringen tot de betekenis ervan, voorbij de vorm naar de inhoud. Wanneer je echt gelooft wat Jezus zegt dan moet je dit gedurende de hele dag en zonder onderscheid veralgemenen naar iedereen en is het nodig dat jij je realiseert hoezeer je niet gelooft dat de Zoon van God heilig is omdat je niet gelooft dat de Zoon van God Een is. Word je er bewust van dat je gelooft dat er sommige mensen heilig zijn en sommige niet. Herinner je dat je oordeel over iemand een weerspiegeling is van het oordeel over jezelf. Waakzaamheid betekent met zorg aandacht schenken aan dat wat je buiten jou waarneemt je hierbij realiserend dat dit een spiegel is van wat je binnen in jou voor waar hebt aangenomen.

(3:4-5) In de oefeningen van vandaag zullen we de macht van jouw heiligheid benutten voor alle problemen, moeilijkheden of lijden, in iedere vorm waar je toevallig aan denkt, van jezelf of iemand anders. We zullen hierin geen onderscheid maken, omdat er geen onderscheid is.

We zien hier waarom Jezus Een Cursus in Wonderen begonnen is met ‘er is geen rangorde in moeilijkheid bij wonderen’ (T. 1. I. 1:1). Dit is de alfa en de omega. De versie van het ego is dat er een rangorde in illusies is (T. 23. II. 2:3) en het is daarom dat Jezus ons in deze lessen herhaaldelijk aanmaant geen verschil te zien in wat we waarnemen en wat we denken. Alles is ofwel van het ego of van de Heilige Geest en hierin bestaat geen tussenweg. Zoals Jezus een tijdje geleden zei: je bent of zondeloos of zondig. Het is het een of het ander, het juiste gebruik van dit principe van het ego.
Alinea’s 4 en 5 voorzien ons van onze dagelijkse oefening en zijn speciaal gericht op onze functie om voor het juist-gerichte denken van heiligheid te kiezen die al onze problemen oplost. Noteer hierbij dat Jezus ons vraagt geen verschil te zien tussen een waargenomen problemen in onszelf of in anderen.

(4) Herhaal in de vier langere oefenperioden, die elk bij voorkeur een volle vijf minuten moeten duren, het idee voor vandaag, sluit je ogen en onderzoek dan je denkgeest op enig gevoel van verlies of droefheid, zoals jij dat ziet. Probeer zo min mogelijk onderscheid te maken tussen een situatie die moeilijk is voor jou en een die moeilijk is voor iemand anders. Duid de situatie concreet aan, en noem ook de naam van de betreffende persoon. Gebruik bij het toepassen van het idee voor vandaag de volgende vorm:

In de situatie met betrekking tot _________ waarin ik mezelf zie, is er niets wat mijn heiligheid niet kan.
In de situatie met betrekking tot _________ waarin _________ zichzelf ziet, is er niets wat mijn heiligheid niet kan.

Gezien hun oorsprong dezelfde blijft – de onheiligheid (schuld) in ons denken- doet het er niet toe waar de projectie wordt waargenomen. Er is geen rangorde in illusies – de illusionaire gedachte van afscheiding heeft nooit zijn illusionaire oorsprong in de denkgeest verlaten. Daarom is een onderscheid tussen illusies, bijv. afgescheiden lichamen, uiteindelijk irrelevant. De inhoud voorbij de vorm, zo min mogelijk onderscheid maken tussen een situatie die moeilijk is voor jou en een die moeilijk is voor iemand anders.

(5) Misschien wil je van tijd tot tijd deze werkwijze variëren en enkele relevante gedachten van jezelf eraan toevoegen. Zo kun je er bijvoorbeeld gedachten bij opnemen als:

Er is niets wat mijn heiligheid niet kan, want daarin ligt de macht van God.

Breng elke variatie aan die je aanspreekt, maar houd de oefeningen geconcentreerd op het thema: ‘Er is niets wat mijn heiligheid niet kan.’ Het doel van de oefeningen van vandaag is jou geleidelijk het gevoel in te prenten dat je over alle dingen heerschappij hebt, op grond van wat jij bent.

Jezus vraagt ons hier om de lessen verder te blijven oefenen met het veralgemenen van zoveel mogelijk gedachten en situaties. De laatste zin refereert naar het verhaal van Adam en Eva in Genesis waar God Adam heerschappij gaf over alle dingen (Genesis 1:28) waarbij Adam alles een naam geeft. Symbolisch gezien betekent iets benoemen er macht over hebben, een gedachte waar we in les 184 op terug zullen komen. Jezus gebruikt hier hetzelfde idee al heeft hij het duidelijk niet over macht zoals dit door de wereld wordt gezien, maar de macht van de Liefde van God, van zijn totale Eenheid. Ik heb dus heerschappij over alle dingen omdat ik alle dingen ben. Herinner je dat alles wat ik buiten mij waarneem er helemaal niet is, maar een projectie of een uitbreiding is van wat ik eerst voor waar heb aangenomen in mijn denkgeest. Ik heb heerschappij over alle dingen door wat ik ben, de heelheid van Christus. Van daaruit is alles wat ik los van mij waarneem ook heilig zijn omdat het een projectie is van de denkgeest die de heiligheid bevat. Dit belangrijk concept wordt in het volgende gebed uit de tekst uitgedrukt:

Ik dank U, Vader, omdat ik weet dat U elke smalle kloof zult komen dichten die ligt tussen de gebroken stukken van Uw heilige Zoon. Uw Heiligheid, compleet en volmaakt, ligt in elk daarvan. En ze zijn met elkaar verbonden, want wat in een van deze is, is in allemaal aanwezig. Hoe heilig is het kleinste korreltje zand, wanneer het wordt herkend als deel van het voltooide beeld van Gods Zoon! De vormen die de gebroken stukken lijken aan te nemen betekenen niets. Want het geheel is in elk ervan. En ieder aspect van Gods Zoon is precies hetzelfde als elk ander deel. (T. 28 IV. 9)

Wanneer ik geneigd ben jou niet als heilig te zien, maar als een afgescheiden entiteit van mij, die iets heeft wat ik wil of macht heeft over mij, dan gaat aan de deze onjuiste de keuze vooraf mijn heiligheid van mezelf afgescheiden te houden. Ik heb deze keuze gemaakt uit angst dat in deze heiligheid mijn hele individualiteit en speciaalheid verdwijnt. Met andere woorden, de kracht is in onze denkgeest omdat er buiten de denkgeest niets is. Onze denkgeest blijft over de kracht en de mogelijkheid beschikken om of voor de Liefde van God te kiezen of te kiezen voor aanval.
De les eindigt om deze dagelijkse gedachte op alle specifieke dingen die ons in de war brengen toe te passen:

(6) Gebruik het idee in de veelvuldige korte oefeningen in zijn oorspronkelijke vorm, tenzij een specifiek probleem rond jou of iemand anders ontstaat of in je denkgeest opkomt. Hanteer in dat geval de meer toegespitste vorm van het idee en pas het daarop toe.

Zoals we kunnen zien en kunnen blijven zien hebben deze lessen geen waarde wanneer we de principes ervan niet leren veralgemenen op alle situaties waarin we onszelf terugvinden, de kleine en de grote. We moeten leren dat alle problemen dezelfde zijn aangezien ze dezelfde bron van afscheiding en onheiligheid delen. Wanneer ze naar de Verzoening gebracht worden – de gedachte van heiligheid die in onze denkgeest is – dan kun het niet anders dan dat ze verdwijnen.