donderdag 9 mei 2019

Les 95 – Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper. – deel 5.


In de overblijvende vijf alinea’s van de les bevestigt Jezus de waarheid dat we één Zelf zijn, één met God en met iedereen – en dit doet hij keer, op keer, op keer.

(11) Begin de oefenperioden vandaag met deze verzekering, die jij je denkgeest schenkt met alle zekerheid die je geven kunt:
Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper, één met elk aspect van de schepping en grenzeloos in vrede en in kracht.
Sluit dan je ogen en zeg jezelf opnieuw, langzaam en bedachtzaam, terwijl je probeert de betekenis van de woorden in je denkgeest te laten neerdalen, waar ze de plaats innemen van valse ideeën:
Ik ben één Zelf.
Herhaal dit verscheidene malen en probeer dan de betekenis te voelen die deze woorden in zich dragen.
Zoals we reeds eerder hebben besproken is het proces van genezing, dat uiteengezet wordt in Een Cursus in Wonderen, het brengen van de duisternis van onze illusies van het ego naar het licht van de waarheid van de Heilige Geest, met andere woorden onze gedachten van speciaalheid naar de gedachten van vergeving te brengen.
(12) Jij bent één Zelf, verenigd en veilig in licht en vreugde en vrede. Jij bent Gods Zoon, één Zelf, met één Schepper en één doel: het bewustzijn van dit éénzijn tot alle denkgeesten te brengen, opdat ware schepping het al-zijn en de eenheid van God uitbreiden kan. Jij bent één Zelf, compleet, genezen en heel, met de macht de sluier van duisternis van de wereld weg te trekken en het licht in jou te laten doorbreken om de wereld de waarheid over jou te onderrichten.
De manier waarop bewustzijn van deze eenheid naar alle denkgeesten gebracht wordt is door onze gezamenlijke belangen. Zo wordt de donkere sluier van het ego van afscheiding en speciaalheid voor de denkgeest van de Zoon van God opgetild en wordt het licht van de waarheid over onszelf mogelijk gemaakt om er door te schijnen. Wij zijn één Zelf. Deze waarheid wordt weerspiegeld in de erkenning dat we ook in de afgescheiden denkgeest één zijn, elk schijnbaar fragment van het Zoonschap bevat in zich het enige probleem en de enige oplossing.
(13) Jij bent één Zelf, in volmaakte harmonie met al wat is en al wat zijn zal. Jij bent één Zelf, de heilige Zoon van God, verenigd met jouw broeders in dat Zelf, verenigd met jouw Vader in Zijn Wil. Voel dit ene Zelf in jou en laat Het al je illusies en al je twijfels wegschijnen. Dit is jouw Zelf, de Zoon van God Zelf, zondeloos als Zijn Schepper, met Zijn kracht in jou en Zijn Liefde als jouw eeuwig eigendom. Jij bent één Zelf en het is jou gegeven dit Zelf in je te voelen en al je illusies te verdrijven uit de ene Denkgeest die dit Zelf is, de heilige waarheid in jou.
Onze enige functie binnen de droom van de afscheiding is het ongedaan maken van de illusies van afgescheiden belangen die de herinnering over ons ware Zelf verbergen. Jezus effent dus de weg voor latere lessen die meer gericht zijn op vergeving: het middel, gebracht door Een Cursus in Wonderen, om ons onze Identiteit en de Liefde van de Schepper te herinneren.
(14) Vergeet het niet vandaag. We hebben jouw hulp nodig, jouw kleine aandeel in het brengen van geluk aan heel de wereld. En de Hemel kijkt naar jou in het vertrouwen dat jij dit vandaag proberen zult. Deel dan in die zekerheid, want ze is de jouwe. Wees waakzaam. Vergeet het niet vandaag. Vergeet vandaag de hele dag je doel niet. Herhaal zo vaak je kunt het idee van vandaag en begrijp dat telkens wanneer jij dat doet, iemand de stem hoort van de hoop, het roeren van de waarheid in zijn denkgeest, het zachte ruisen van de vleugels van vrede.
Alhoewel in het eerste deel van deze les de belemmering van ons oefenen werd besproken - de weerstand tegen het herinneren van ons Zelf - blijft Jezus aandringen dat we ons toch blijven herinneren hoe belangrijk deze lessen zijn voor ons geluk. Bovendien heeft het Zoonschap een inspanning nodig om uit zijn droom van lijden en dood te ontwaken en de hoop te voelen om opnieuw de aanwezigheid van het licht in onze denkgeest te zien. Aldus zal de vrede van de Hemel uiteindelijk komen en de conflicten op aarde vervangen.
15. Jouw eigen erkenning dat jij één Zelf bent, verenigd met je Vader, is een oproep aan heel de wereld één te zijn met jou. Zorg ervoor ieder die je vandaag ontmoet de belofte mee te geven van het idee van vandaag en zeg hem dit:
Jij bent één Zelf met mij, verenigd met onze Schepper in dit Zelf.
Ik eer jou om Wat ik ben, om Wat Hij is, die ons beiden liefheeft als Eén.
En dat moet zo zijn gezien ‘iedereen die je ontmoet’ jijzelf bent, zoals de tekst ons eraan herinnert:
Telkens wanneer jij iemand ontmoet, bedenk dan dat het een heilige ontmoeting is. Zoals je hem ziet, zie jij jezelf. Zoals je hem behandelt, behandel jij jezelf. Zoals je over hem denkt, denk jij over jezelf. Vergeet dit nooit, want in hem zal jij jezelf vinden of verliezen. Telkens wanneer twee Zonen van God elkaar ontmoeten, wordt hun een nieuwe kans op verlossing geboden. Ga nooit bij iemand weg zonder hem verlossing gegeven en die zelf ontvangen te hebben. (T. 8. III. 4:1-7)
We beëindigen deze belangrijke les door ons te herinneren dat iedere situatie een mogelijkheid biedt om de mispercepties van het ego van afscheiding en speciaalheid te corrigeren. Wanneer de dag begint beloven we onszelf om met Jezus te zijn zodat we ons kunnen herinneren dat we één zijn in het ego en in de geest en kan deze dag en al de volgende dagen vreugdevol gevuld zijn met de belofte van vergeving wanneer we samen terugkeren naar de Eenheid die we in werkelijkheid nooit verlaten hebben en die ons nooit verlaten heeft.

dinsdag 7 mei 2019

Les 95 – Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper. – deel 4.



(8:1) De Heilige Geest wordt in Zijn onderricht niet gehinderd door jouw fouten.
Met andere woorden, het maakt niet uit hoe vaak je vergeet Wie je bent; de tijdloze waarheid over jouw Zelf blijft onaangetast. Onnodig te zeggen dat dit verder gaat dan de dagelijkse werkboekles. Telkens je geneigd bent om je zelf te zien als oneerlijk behandeld of wanneer je onvoldoende liefde en aandacht gekregen hebt die jouw speciaalheid verlangt, ga dan zo vlug als je kan naar binnen en zeg tegen Jezus: ‘Ik kijk hier verkeerd naar, help me alsjeblief.’ Zijn rol om ons te helpen onszelf te vergeven, om ons te leren het nietig dwaas idee niet serieus te nemen, vormt de essentie van onze relatie met hem. Jezus wordt niet opgehouden door onze vergissingen, maar een ervaring van geluk wordt hier zeker wel door vertraagd.
(8:2) Hij kan alleen worden tegengehouden door je onwil ze los te laten.
Wat het doel is van schuld: schuld drukt onze onwil uit om onze vergissingen los te laten en dit door fouten te labelen als zonden die straf verdienen. Angst voor deze straf is zo overweldigend dat we de zonde wel moeten projecteren en geloven dat wij niet degene zijn die zondig en schuldig zijn. Dat maakt ons achterdochtig omdat we nu rondkijken, op zoek zijn naar zonde in anderen en bang dat wij door hen zullen aangevallen worden. Maar alles wat we zien zijn onze eigen aanvalgedachten die naar buiten geprojecteerd zijn. Het probleem ligt in het schuldgevoel erover.
Daarom dringt Jezus erop aan om ons, zo snel we kunnen, tot hem te wenden telkens we ons herinneren wat we gedaan hebben of nagelaten hebben om ons te herinneren. Nogmaals, ook al is hier geen sprake van schuld, het vormt wel de basis voor alles wat hier wordt aangehaald. Het is de onwil zonde te laten gaan en die alleen maar om straf vraagt.
(8:3-4) Laten we daarom vastbesloten zijn om, vooral de komende week, bereid te zijn onszelf te vergeven wanneer onze ijver verflauwt en we nalaten de aanwijzingen voor de toepassing van het idee van de dag op te volgen. Deze verdraagzaamheid ten opzichte van onze zwakheid zal ons in staat stellen haar te negeren, in plaats van de macht te geven ons leerproces te vertragen.
Wanneer we onze zwakte onaanvaardbaar vinden, dan geven we dit een enorme kracht, niet enkel door het vertragen van het verwerven van kennis, maar door dit te vernietigen en daardoor vergeving onmogelijk te maken.
Ik herhaal het hier nog even. Het probleem zit niet in de weigering voor de herinnering, noch in onze speciaalheid of in onze boosheid. Het probleem ligt in het feit dat we, door dit schuldgevoel, blijven vasthouden aan de waarneming van het misverstand.
Herinner je dat ons ego steeds wil bewijzen dat onze individualiteit waar is en dat dit bereikt wordt door het geloof in zonde, op zijn beurt bevestigd door schuld. Daarom, wanneer je een vergissing begaat, wordt je dan bewust dat dit afkomstig is van angst en niet van een of ander kwaad, slechtheid of zonde in jou. Zeg dan tegen Jezus: ‘Ik was bang voor je liefde, want ik was bang dat ik mijn individualiteit en speciaalheid zou verliezen. Ik moest dus mijn zelf beschermen door jou weg te duwen en dat is de reden waarom ik dit ben vergeten.’
Wanneer je een dergelijk gesprek hebt met Jezus zal er geen schuldgevoel zijn en zonder schuldgevoel is er ook geen probleem. Zich schuldig voelen zorgt er echter voor dat dit vergeten terug zal keren. Daarom benadrukt Jezus het belang van het dagelijks in praktijk brengen van de oefeningen van het werkboek.
Om hier dus nog eens op terug te komen: de manier waarop we aan iets voorbijzien is niet door er niet naar te kijken, maar er juist wel naar te kijken en als we dit doen met de liefde van Jezus naast ons kijken we er dwars doorheen.
(8:5) Als wij haar de macht geven dat te doen (het vertragen van het leerproces), beschouwen we haar als kracht en verwarren we kracht met zwakheid.
Wanneer we onszelf toestaan ons schuldig te voelen over de ‘zwakte’ om de lessen te vergeten, weerspiegelen we de onderliggende gedachte dat het ego God heeft vernietigd, in plaats van de inherente zwakte van het ego te zien dat het niets kan doen. Om de tekst nog eens aan te halen:
Het is ridicuul te denken dat de tijd de eeuwigheid kan omringen, die juist betekent dat er geen tijd bestaat. (T. 24. VIII. 6:5)
Dit betekent ook dat er geen ego is. Alleen het Verzoeningsprincipe is onze kracht.
(9:1-2) Wanneer het je niet lukt je aan de vereisten van deze cursus te houden, heb je alleen een vergissing begaan. Dit vraagt om correctie en om niets anders.
Met andere woorden ‘mislukken’ is geen zonde, want Jezus geeft ons de toestemming om te falen ‘wanneer het je niet lukt on aan de vereisten te voldoen’. Hij verwacht van ons niet dat we modelstudenten. Zoals ik gezegd heb, de beste manier om het werkboek te doen en ervan te leren is door het niet perfect te doen en jezelf dan te vergeven. Je leert dus jezelf te vergeven omdat je God in het begin bent vergeten. Leren je vergissingen te vergeven is wat van jou een echte voorbeeldige student maakt.
(9:3-4) Toelaten dat een vergissing voortduurt, is bijkomende vergissingen begaan, die op de eerste zijn gebaseerd en deze nog versterken. Van dit proces moet afstand worden gedaan, want het is niets dan opnieuw een manier waarop jij illusies tegen de waarheid wilt beschermen.
Dit zegt opnieuw dat de manier om te stoppen fouten te maken is door er ons niet schuldig over te voelen. We vermijden schuld door Jezus uit te nodigen zodat hij samen met ons naar onze vergissingen kan kijken. Hij zal ons dan uitleggen hoe we ze uit angst gemaakt hebben en niet uit zonde en zonder zonde verdwijnt de schuld. Wanneer schuld echter blijft dan staat het vast dat we de fout opnieuw zullen begaan. Met schuld in ons denken zal er onderdrukking blijven wat zal leiden tot een projectie van vergissingen in een vorm van aanval of ziekte. Dus wanneer het geloof in zonde ongedaan is gemaakt is genezing tot stand gebracht gezien projectie niet langer mogelijk is.
Jezus overbrugt nu de kloof tussen de discussie van de individuele werkboekles naar de werkelijke les:
(10:1-2) Laat al deze vergissingen varen door ze te zien als wat ze zijn. Het zijn pogingen je het besef te onthouden dat je één Zelf bent, verenigd met je Schepper, één met elk aspect van de schepping en grenzeloos in vrede en in kracht.
Mijn bewustzijn dat ik één Zelf ben maakt mijn geloof dat ik afgescheiden ben, ongedaan. Mijn fouten, zoals vergeten om elk uur de werkboekles te doen of vergeten om Jezus om hulp te vragen wanneer ik van streek ben, zijn niets meer dan het verdedigen van mijn individueel zelf in plaats van er afstand van te nemen, wat ik zeker zou doen als ik mij de les van vandaag zou herinneren.
Jezus vervolgt door terug te keren naar het thema van de les, nadat hij besproken heeft hoe we ons ertegen zullen verdedigen. ‘Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper’ betekent dat alles, zonder een enkele uitzondering, wat ik ooit over mezelf heb gedacht niet juist is. Daarom is deze les vergeten de manier van het ego om zichzelf te beschermen tegen de herinnering aan de waarheid, wat mij zou brengen tot het vergeten van de illusie dat ik een speciaal zelf ben, afgescheiden van alle anderen en vooral afgescheiden van mijn Schepper en mijn Bron:
(10:3-4) Dit is de waarheid en niets anders is waar. Vandaag zullen we deze waarheid opnieuw beamen en proberen toegang te vinden tot die plaats in jou waar geen twijfel bestaat dat alleen dit waar is.
We zijn opnieuw bij onze taak – de waarheid herinneren – door de illusies over onszelf ernaar toe te brengen. Onze denkgeesten worden zo gezuiverd van de dwaasheid van het ego en bereiken we de waarheid binnen in ons.
(wordt vervolgd)

zondag 5 mei 2019

Les 95 – Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper. – deel 3.

(6:1). Daarom is structuur voor jou op dit moment onontbeerlijk, opgezet met veelvuldige herinneringen aan je doel en regelmatige pogingen dat te bereiken.
Het is erg belangrijk dat jij je realiseert dat je aan het begin bent van je reis met een gevoel van nederigheid wetende dat zonder dit het leren van Een Cursus in Wonderen niet mogelijk is. Onderaan de spirituele ladder staan is geen zonde. Het is zelfs fijn want je staat tenminste op de juiste ladder met de juiste leraar en je zou jezelf dankbaar moeten zijn dat je voor Jezus hebt gekozen in plaats van voor het ego. Je schuldig voelen omdat je op de onderste trede bent of je slecht voelen omdat je kleine stapjes moet maken terwijl anderen reeds ‘hogerop’ zijn, is de arrogantie van het ego die zijn lelijke kop, eens te meer, opsteekt.
Een dergelijke arrogantie, vermomd als nederigheid, verzekert jou dat je nooit ergens zal komen. De manier waarop een baby leert lopen is door eerst te kruipen en dan te stappen. Van kruipen direct overstappen naar lopen verzekert het kind dat het nooit goed zal kunnen stappen, laat staan te lopen. Het is belangrijk om onszelf te zien als kleine kinderen met een oudere broer die ons leidt. Als we ervan uitgaan dat we ouder zijn dan we werkelijk zijn, zullen we veel minder geneigd zijn om te luisteren omdat we denken evenveel te weten als hij weet. We blijven dan spiritueel gehandicapt voor de rest van ons leven, niet in staat om te vergeven, laat staan lief te hebben.
(6:2) Regelmaat qua tijd is niet de ideale voorwaarde voor de meest heilzame vorm van oefening in verlossing.
Dit is te vergelijken met de zin die ik aangehaald heb uit het Handboek voor Leraren: ‘Een vaste routine als dusdanig is gevaarlijk … ‘(HvL. 16. 2:5)
(6:3) Het is echter bevorderlijk voor degenen wier motivatie wisselend is en die een sterke weerstand tegen leren blijven voelen.
Wanneer je eerlijk bent zal je zeggen: daar hoor ik ook bij. Mijn motivatie is niet standvastig en ik heb ‘sterke weerstand tegen leren’. Ik wil niet leren dat mijn lichaam, mijn sprankelende persoonlijkheid en mijn slachtofferverhalen niets zijn. Ik wil niet leren dat het feit dat ik hier ben een aanval betekent op Gods Liefde en een poging is deze Liefde te beperken. Ik wil niet leren dat mijn zelf een maskerade is en een aanval op God en op Christus. Ik wil in plaats daarvan leren hoe prachtig ik ben en zelfs dat Jezus mij nog mooier zal maken.’
Eerlijkheid ligt in het bewust worden hiervan en van de weerstand en aanvaarden dat we nood hebben aan een regelmaat op het niveau van de tijd die Jezus ons schenkt. Om nog eens terug te keren naar het Handboek voor Leraren waar we kunnen lezen dat:
In het begin is het wijs in termen van tijd te denken. Dit is allerminst het ultieme criterium, maar het is bij aanvang waarschijnlijk het eenvoudigste om je aan te houden. Het is essentieel dat in een vroeg stadium het winnen van tijd wordt beklemtoond, maar hoewel dit in het hele leerproces belangrijk blijft, krijgt het steeds minder nadruk. In het begin kunnen we gerust zeggen dat tijd gewijd aan een juist begin van de dag inderdaad tijd bespaart. (Hvl. 16. 3:1-4)
Jezus gaat verder met de orde van de dag.
(7:1-2) We zullen ons daarom enige tijd aan de oefenperioden van vijf-minuten per uur houden en dringen er bij je op aan er zomin mogelijk over te slaan. Het zal bijzonder nuttig zijn de eerste vijf minuten van elk uur te gebruiken, omdat dit een hechtere structuur oplegt.
Weer zegt Jezus ons dat ondanks het gewaarzijn van ons gebrek aan discipline hij verder gaat met een ‘hechtere structuur’ omdat we hier nood aan hebben willen we gedisciplineerd worden.
We komen nu bij de kern van de bespreking:
(7:3-5) Maar gebruik de keren dat je verzuimt niet als een uitvlucht om niet naar dit tijdsschema terug te keren zodra je dat kunt. Je zult wellicht in de verleiding raken de dag als verloren te beschouwen omdat het je toch al niet gelukt is te doen wat werd gevraagd. Dit moet je echter gewoon zien als wat het is: een weigering je fout te laten corrigeren en onwil om het opnieuw te proberen.
Jezus gebruikt hier niet het woord schuld, maar dat is wel het onderwerp. Schuld verhindert de Heilige Geest om onze vergissingen te corrigeren. Door schuld schreeuwen we: ‘Ik heb zonden begaan die buiten correctie en vergeving liggen. Ik ben dus een verschrikkelijk mens en een mislukking als een student van Een Cursus in Wonderen.’ De bespreking in de tekst van ‘zonde versus vergissing’ is hier relevant aan omdat hier gewezen wordt op de cruciale rol die schuld speelt in het verdedigend denksysteem van het ego om zijn afgescheiden bestaan te beschermen:
Het is van wezenlijk belang dat een vergissing niet met zonde wordt verward en juist dit onderscheid maakt verlossing mogelijk. … Zonde vraagt om straf, zoals een vergissing om correctie vraagt en het geloof dat straf correctie is, is klinkklare waanzin. Zonde is geen vergissing, want zonde gaat gepaard met een arrogantie die vreemd is aan het idee van een vergissing. Zondigen zou zijn: de werkelijkheid geweld aandoen en daarin slagen. Zonde is de verkondiging dat aanval iets werkelijks is en schuld gerechtvaardigd. Ze gaat ervan uit dat de Zoon van God schuldig is en er dus in geslaagd is zijn onschuld te verliezen en zichzelf tot iets te maken wat God niet geschapen heeft. … het ego brengt zonde naar angst en eist straf. Maar straf is slechts een andere vorm van het beschermen van schuld want wat straf verdient moet wel echt gebeurd zijn. Straf is altijd de grote behoeder van de zonde die deze met respect behandelt en de enormiteit ervan eer bewijst. Wat bestraft moet worden is ontegenzeggelijk waar. (T. 19. 1:1, 6; 2:1-4; T. 19. III. 2:2-5)
We zien dus dat onze individualiteit behouden blijft als we die als zonde benoemen, beschermd door de ervaring van schuld en die om de straf vraagt waar we dan weer bang voor zijn. Bovendien zullen we, van zodra we ons schuldig voelen, die onder de grond willen verstoppen of onderdrukken in onze denkgeest omdat het gevoel ondraaglijk is. Projectie is onvermijdelijk en onze ervaring van zonde en schuld veranderd in ‘de fout van iemand anders’. De schuld die in de denkgeest is, is nu veilig verdrongen met de hoop dat dit nooit ongedaan gemaakt kan worden omdat het geloof dat iemand anders de zondaar is onze overtuiging die we koesteren bedekt.
Terugkerend naar het falen in het ons herinneren van de dagelijkse oefeningen, kunnen we zien dat dit ook een weerspiegeling is van de oorspronkelijke vergissing waarbij we God totaal zijn vergeten en waarbij we denken: de bezorgdheid over het verlies van onze individualiteit weegt al zwaar genoeg door en daarom is de Liefde en Eenheid van God wel het laatste waar we willen aan denken, want door ons Hem te herinneren vinden we ons Zelf terug, een Zelf waarin geen individualiteit meer te vinden is. Dit ogenblik herbeleven we steeds opnieuw, zoals duidelijk gemaakt wordt in de volgende uitspraak in de tekst:
Elke dag en iedere minuut van elke dag en elk ogenblik dat iedere minuut bevat, herbeleef je slechts het ene ogenblik waarop de tijd van verschrikking de plaats van de liefde innam. (T. 26. V. 13:1)
Herinner je dat er geen kloof van miljoenen jaren is tussen dat wat we geloven dat nu gebeurt en dat waarvan we geloven dat het gebeurde in het oorspronkelijke moment wanneer ‘verschrikking de plaats van liefde heeft ingenomen’. Lineaire tijd is een illusie en alles gebeurt in elk moment van onze huidige ervaring. Telkens we de werkboekles vergeten, telkens we in de war zijn of verwaarloosd hebben om Jezus om hulp te vragen herbeleven we dat oorspronkelijke moment – dat altijd aanwezig is in onze denkgeest – wanneer we de Liefde van God van ons weggeduwd hebben en tegen de Heilige Geest gezegd hebben: ik ben niet geïnteresseerd in wat jij te vertellen hebt, ook al is het de waarheid. Ik wil enkel mijn individueel en verschillend zelf behouden.’
En in plaats van naar deze vergissing te glimlachen hebben we deze vergissing als zondig beoordeeld. De schuld werd zo overweldigend en we vreesden de wraakzuchtige straf van God voor onze zonde. Om deze goddelijke vergelding te vermijden zijn we onze denkgeest ontvlucht, hebben we ons zondig en schuldig zelf geprojecteerd en bouwden we een wereld waarin al de anderen beschuldigd worden van zonde terwijl wij het onschuldige slachtoffer blijven. Nogmaals dit is het zo vertrouwde scenario die we herbeleven telkens we ons werkboekles vergeten. Jezus zegt ons dus dat het probleem niet is dat we vergeten, maar dat we niet bereid zijn dat de vergissing gecorrigeerd wordt door deze vriendelijke liefde. We namen nog eens het nietig dwaas idee serieus en nu moet Jezus ons helpen herinneren om de ernst ervan weg te lachen, zoals de volgende kernpassage uit de tekst ons aandringt om te doen:
In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen. Door dit te vergeten werd de gedachte een serieus idee, in staat tot zowel verwezenlijking als werkelijke gevolgen. Samen kunnen we ze beide weglachen, en begrijpen dat de tijd geen inbreuk kan maken op de eeuwigheid. Het is ridicuul te denken dat de tijd de eeuwigheid kan omringen, die juist betekent dat er geen tijd bestaat. (T. 27. VIII. 6:2-5)
Een voorbeeld. Laat ons zeggen dat je deze les doet en dus gevraagd wordt om elke eerste vijf minuten van het uur aan God te denken. Je realiseert je opeens dat het 1:15 u. is en je roept uit: ‘Jeetje, ik heb om 1 u. niet aan de les gedacht en in feite heb ik er ook om 12:00 u. niet aan gedacht en om 11:00 u. niet, noch om 10:00 u., maar ik herinner me het nu, om 1:15 u.’. Je zou dan tegen jezelf kunnen zeggen: ‘Ik ben het vergeten omdat ik bang ben. De individuele behoeften van mijn speciaalheid vragen zoveel van mij zodat ik alles nodig had om aandacht te geven aan mijn lichaam en aan datgene wat rondom mij was. En zo ben ik het vergeten, omdat ik bang was, maar daarom ben ik niet slecht. Wensen om mijn speciale identificatie te behouden is geen zonde, maar een vergissing die gecorrigeerd moet worden. Hoe geweldig is het toch dat ik nu deze weerstand van mij om deze cursus te leren, kan zien! Ik herinner mij de les nu wel en ik kan Jezus vragen mij te helpen kijken naar wat ik gedaan heb, mij te helpen in het begrijpen waarom ik dit doe en ervoor te kiezen om vergeving te aanvaarden in plaats van de schuld van mijn ego.’
Wel dit is hier de boodschap van Jezus aan ons en deze troostende boodschap van de Heilige Geest wordt ook herhaald in het Handboek voor Leraren; het antwoord op ons geloof in de werkelijkheid van schuld.
We geven het hier opnieuw weer, deze keer samen met de inleidende zin:
Correctie heeft één antwoord op dit alles en op de wereld die hierop berust:
Je ziet slechts interpretatie voor de waarheid aan. En je vergist je. Maar een vergissing is geen zonde en de werkelijkheid is door jouw vergissingen niet van haar troon gestoten. God regeert voor eeuwig en alleen Zijn wetten heersen over jou en over de wereld. Zijn Liefde blijft het enige wat er is. Angst is een illusie, want jij bent zoals Hij. (HvL. 18. 3:6-12)
(wordt vervolgd)

vrijdag 3 mei 2019

Les 95 – Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper. – deel 2.


(3) We zullen vandaag proberen ons alleen bewust te zijn van wat kan horen en zien en wat volmaakt zinnig is. We zullen opnieuw onze oefeningen erop richten jouw ene Zelf te bereiken, dat verenigd is met Zijn Schepper. We proberen het vandaag opnieuw vol geduld en hoop.
Jezus en de Heilige Geest vertegenwoordigen het juist-gerichte denken en kijken door de visie van Christus, waarbij het belang of zelfs de werkelijkheid van wat onze ogen zien, ontkent wordt. Er wordt van ons echter niet gevraagd om ons zicht te ontkennen, maar enkel de interpretatie van wat we zien. Gezien vanuit het standpunt van het ego is er altijd een verschil, speciaalheid, oordeel en aanval bij betrokken. Visie corrigeert deze verkeerde interpretatie en maakt de weg vrij om de herinnering aan ons ene Zelf terug te brengen naar ons bewustzijn.
Met deze lijnen eindigt het eerste deel van de les. Tot aan het begin van alinea 10 spreekt Jezus nu tot ons over de belangrijkheid wanneer we vergeten om de oefening te doen en we onszelf beschuldigen voor dit falen. Dit is enorm leerzaam, niet alleen voor het doen van het werkboek, maar voor de grotere consequentie: het ongedaan maken van het denksysteem van afscheiding en zonde waarvan het ego ons vertelt dat het werkelijkheid is en wat onze schuld rechtvaardigt.
(4) In het leerstadium waarin jij momenteel verkeert heeft het bijzondere voordelen de eerste vijf minuten van elk uur dat je wakker bent te besteden aan het beoefenen van het idee van de dag. Het is in deze fase moeilijk, als je je denkgeest lang oefent, om die niet te laten afdwalen. Dat heb je inmiddels vast wel ontdekt. Je hebt gezien hoe groot je gebrek aan mentale discipline is en hoezeer je denkgeest training behoeft. ‘.
In niet mis te verstane woorden laat Jezus ons hier weten dat hij van ons niet verwacht dat we volledig trouw zijn aan zijn lessen: ‘Het is in deze fase moeilijk, als je je denkgeest lang oefent, om die niet te laten afdwalen.’ Hij verwacht dus van ons niet dat we elk uur vijf minuten spenderen om aan God te denken, dat we elke uur zes tot tien keer aan de les denken of dat we telkens we van streek zijn hem om hulp vragen. Jezus zegt ons, nogmaals, dat hij ons ‘gebrek aan mentale discipline’ kent en daarom voorziet hij ons van zoveel structuur, maar herinner je ook de uitspraak uit het Handboek voor Leraren:
Een vaste routine is als zodanig gevaarlijk, omdat ze gemakkelijk zelf tot een god kan worden en dan juist een bedreiging vormt voor de doelen waarvoor ze is opgesteld. (HvL. 16. 2:5).
Maar anderzijds zegt hij ook dat we, om redenen die vrij duidelijk zijn, routine en structuur nodig hebben.
Het is een ander voorbeeld hoe Jezus ons op een vriendelijke wijze zegt dat we op de onderste sport van de ladder staan en dat we niet moeten doen alsof we hoger zouden staan. Wanneer we hoger staan op de ladder zullen we niet langer behoefte hebben aan structuur of discipline, noch zullen we het nodig hebben om de lessen te oefenen. We staan echter nog steeds laag bij de grond.
In voornoemd deel uit het Handboek der Leraren stelt Jezus:
Voor de gevorderde leraar van God heeft deze vraag geen betekenis. Er is geen programma, want de lessen veranderen elke dag. Toch is de leraar van God maar van één ding zeker: ze veranderen niet willekeurig. Omdat hij dit inziet en begrijpt dat het waar is, is hij tevreden. … Maar hoe zit het met degenen die zijn zekerheid nog niet hebben bereikt? Zij zijn nog niet klaar voor zo’n gebrek aan structurering hunnerzijds. (HvL. 16. 1:1-4; 2:1-2)
Sprekend tot ons als zijnde niet geavanceerd en nog steeds op de onderste sport van de ladder, zegt Jezus daarom: ‘Je hebt de omvang gezien van jouw gebrek aan mentale discipline en hoezeer je denkgeest behoefte heeft aan training’; vandaar de noodzaak aan structuur. Maar er zijn echter altijd diegenen die geloven dat zij een uitzondering vormen. Wanneer je tot diegenen behoort, wees er dan op zijn minst duidelijk over. Wanneer je bent zoals iedereen zal je geest afdwalen en zal je meer bekommerd zijn over het behoud van je speciaalheid dan over het aanleren van een denksysteem die dit ongedaan maakt.
Jezus geeft zijn studenten dus de toestemming om normaal te zijn, zoals bijv. om angstig en vergeetachtig te zijn. Hij voegt er ook aan toe dat we ons niet schuldig moeten voelen omtrent deze vergeetachtigheid. In feite zegt hij dat we zijn cursus niet nodig zouden hebben wanneer onze denkgeesten getraind zouden zijn en we niet ‘veel te tolerant zijn tegenover het afdwalen van onze denkgeest’ zoals hij Helen eraan herinnerde in de tekst (T. 2. VI. 4:6). Hij maakt er echter wel een punt van dat het vergeten van het doen van de lessen niet gebruikt moet worden als een excuus om de lessen niet te doen of om te besluiten dat Een Cursus in Wonderen te moeilijk is voor ons om hem te oefenen en te leren en dus geen reden meer zien waarom we hem zouden doen.
Jezus vraagt ook niet dat we de les perfect doen, om dit met andere woorden te zeggen, maar wel dat wanneer we falen de les perfect te doen we onszelf hiervoor vergeven. En dat ligt in ieders mogelijkheid. Nogmaals, Jezus zegt niet dat wij perfecte studenten van het werkboek moeten zijn, hij zegt eenvoudig dat we ons er bewust moeten van zijn dat we het niet perfect doen. Daarom zegt hij: ‘Het is noodzakelijk dat jij je hiervan bewust bent, want het is een heuse hinderpaal voor je vooruitgang’. Het gebrek aan mentale discipline, die wijst op onze noodzaak aan mentale training, is de hindernis voor onze vooruitgang.
Het is echter niet het gebrek aan mentale discipline die de hindernis vormt, maar ons schuldgevoel erover. Een vergelijkend idee dat reeds besproken werd is dit: het probleem was niet het nietig dwaas idee, maar de keuze voor de interpretatie van het ego, dat altijd leidt tot schuld. Daarom is de basisregel voor het ongedaan maken van het egodenksysteem, het ongedaan maken van schuld. Jezus helpt ons dus begrijpen dat het niet perfect doen van het werkboek een uitstekende leerschool is om schuld ongedaan te maken. Inderdaad, de consequentie is dat het werkboek niet perfect doen en onszelf hiervoor vergeven, we eigenlijk het werkboek perfect doen en we perfecte studenten zijn.
(5:1-2) Veelvuldige maar korte oefenperioden hebben op dit moment nog andere voordelen voor jou. Behalve dat je inziet dat je moeite hebt je aandacht vast te houden, moet je ook hebben opgemerkt dat je de neiging vertoont je doel lange tijd uit het oog te verliezen, tenzij je er regelmatig aan herinnerd wordt.
Jezus zegt hier twee dingen: we hebben het niet alleen moeilijk met vijf, tien of vijftien minuten stil zitten zonder dat ons denken afdwaalt naar gedachten die ons ego veilig acht, maar we hebben het ook moeilijk zelfs maar te denken over de noodzaak om vijf, tien of vijftien minuten stil te zitten. Jezus steekt hier echter geen terechtwijzende vinger op want hij leert ons te herkennen dat onze ‘mislukkingen’ niet afkomstig zijn van zonde, maar van angst; bij de eerste wordt je gestraft, bij de laatste wordt je op liefdevolle manier gecorrigeerd.
(5:3) Je vergeet dikwijls aan de korte toepassingen van het idee van de dag te denken en je hebt nog niet de gewoonte aangenomen het idee als een automatisch antwoord op verleidingen te gebruiken.
Jezus zegt hier nog eens dat hij het weet dat we vergeten en dat is oké. Dit is een cursus waarvan het doel is het onjuiste dat we ons aangeleerd hebben door vergeving ongedaan te maken, niet door het inboezemen van angst en schuld en dit door straf alleen maar aan te sterken.
(wordt vervolgd)

woensdag 1 mei 2019

Les 95 – Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper. – deel 1.


Dit is een unieke les en het is de enige les waar Jezus halverwege de gedachte van de dag even loslaat en zich meer specifiek tot ons richt in verband met wat we moeten doen wanneer we niet doen wat hij ons vraagt te doen, met andere woorden wanneer we vergeten de dagelijkse opdracht te doen. Het is een merkwaardige bespreking waar we aanzienlijk wat tijd zullen aan besteden.
De eerste drie alinea’s gaan over het thema van de les, een vervolg over ons ware Zelf. Zoals eerder gezegd stelt deze serie van twintig lessen – van 91 tot 110 – ons ware Zelf als Christus voor tegenover het afgescheiden zelf van het ego. In deze les worden we herinnerd aan de essentie van onze Identiteit: Eénheid. De Zoon van God is niet opgedeeld in tal van fragmenten, maar is één en Zijn Eénheid is één met Zijn Bron.
(1:1-3) Het idee van vandaag beschrijft jou nauwkeurig zoals God je geschapen heeft. Jij bent één in jezelf en één met Hem. Aan jou is de eenheid van de hele schepping.
Dit is precies het tegenovergestelde van wat het ego ons vertelt. Het denksysteem van het ego is begonnen met het idee dat we afgescheiden zijn van God, onze Schepper en Bron. Met het evolueren van deze gedachte bleef het zich verder afsplitsen met als resultaat dat we van alles en iedereen afgescheiden zijn. Zo is de wereld ontstaan en wordt in de volgende passage omschreven:
Jij die gelooft dat God angst is, hebt slechts één enkele substitutie in het leven geroepen. Die heeft vele vormen aangenomen, want het was de vervanging van waarheid door illusie, van heelheid door fragmentatie. Ze is zo versplinterd geraakt en onderverdeeld en keer op keer opnieuw verdeeld, dat het nu vrijwel onmogelijk is te zien dat ze ooit één was en nog steeds is wat ze was. Die ene dwaling, die waarheid naar illusie, oneindigheid naar tijd en leven naar de dood heeft gebracht, was het enige wat jij ooit hebt gemaakt. Heel je wereld rust hierop. Alles wat je ziet is er een weerspiegeling van en elke speciale relatie die je ooit hebt gevormd maakt er deel van uit.
Misschien verbaast het je te horen hoezeer de werkelijkheid verschilt van wat jij ziet. Je beseft de omvang van die ene dwaling niet. Die was zo enorm en zo volslagen ongelofelijk, dat daaruit wel een wereld van totale onwerkelijkheid moest oprijzen. Wat kon er anders uit voortkomen? De versplinterde aspecten ervan zijn angstwekkend genoeg, wanneer je ernaar begint te kijken. Maar niets wat je hebt gezien toont jou ook maar enigszins de enorme omvang van de oorspronkelijke dwaling, die schijnbaar jou uit de Hemel wierp, kennis verbrijzelde tot betekenisloze stukjes gescheiden waarneming en je dwong tot het ondernemen van verdere substitutie. (T. 18. I. 4, 5)
De wereld is dus het tegenovergestelde van ‘de eenheid van de hele schepping’. Omdat zij haar oorsprong vindt in de gedachte van afscheiding en fragmentatie kan de wereld van lichamen alleen maar een plaats zijn van afscheiding en fragmentatie en zeker niet het thuis van de Zoon van God. Het geloof dat de wereld onze thuis is ontkent het Verzoeningsprincipe dat staat voor de eenheid van de Hemel, de perfecte heelheid van God en Christus die nooit veranderd is of zeggen dat wij onze Bron nooit hebben verlaten.
(1:4-5) Je volmaakte eenheid maakt verandering in jou onmogelijk. Je aanvaardt dit niet en slaagt er niet in te begrijpen dat het zo moet zijn, alleen maar omdat jij gelooft dat je jezelf al veranderd hebt.
Dit is de essentie van het geloof van het verkeerde denken. Niettegenstaande ons juist-gerichte zelf dat verlangt om de leer van Jezus te aanvaarden, wil ons ego zelf dat zeker niet, want het is er alleen maar op uit om zijn veranderde en speciale identiteit te behouden. Uitspraken zoals deze weerspiegelen Jezus’ gewaarzijn over onze weerstand om te leren dat de Zoon van God onveranderbaar is, wat ons zou helpen om onze schuld te verlichten en de behoefte om onze ‘zonde’ voor hem te verbergen. Echter, omdat we geloven dat we onszelf reeds veranderd hebben, is deze verandering werkelijkheid voor ons geworden en lijkt de mogelijkheid anders te kiezen niet langer een optie. Ik ben veranderd, wat wil zeggen dat ik afgescheiden ben van God en ook van alle afgescheiden Zonen. De toestand van perfecte eenheid is een droom geworden.
Jezus beschrijft nu dit kleine zelf waarvan we geloven dat dit onze werkelijkheid is:
(2:1-2) Jij ziet jezelf als een belachelijke parodie op Gods schepping: zwak, kwaadaardig, lelijk, zondig, ellendig en door pijn geplaagd. Dat is jouw versie van jezelf, een zelf verdeeld in vele elkaar bevechtende delen, afgescheiden van God en losjes bijeengehouden door zijn grillige en wispelturige maker tot wie jij bidt.
In het tekstboek verwijst Jezus naar het ego en het lichaam als een parodie op Gods schepping (T. 24. VII. 10:9). Hier wordt het een ‘belachelijke parodie’ genoemd. Het ‘glorieuze’ zelf waarvan we geloven dat God dit heeft geschapen, het zelf dat we geadopteerd hebben ter vervanging van het ware glorieuze Zelf die we zijn als de Zoon van God, perfect verenigd met onszelf als Christus en met Hem. Jezus toont ons de tegenstelling tussen deze twee zelven. Wanneer we onszelf uitstijgen boven het slagveld, terugkeren naar het keuzemakende gedeelte van onze denkgeest en opnieuw kijken naar dit zelf, dan zouden we ons realiseren dat wat wij als zo belangrijk en speciaal aanvoelen en wat bepaalt wie we zijn, een belachelijke parodie is op Wie we zijn. Wanneer we vaststellen dat we van streek zijn, ongeacht de vorm of de schijnbare oorzaak, moeten we een stap terugzetten en kijken en tegen onszelf zeggen dat onze reacties niets meer zijn dan een belachelijke parodie van ons Zelf. Dit betekent afstand nemen van deze identiteit, van onze investering in het onheus behandeld zijn en het waarnemen van lijden. Slachtoffergedachten en –gevoelens zijn het bewijs voor de werkelijkheid van het bestaan en van de vernietiging van God. Voor ons ego wil dit zeggen dat Jezus ongelijk heeft en wij gelijk. Maar we zijn nooit volkomen gelukkig omdat we nooit volkomen heel zijn. Fragmentatie triomfeert over heelheid. Op hoger niveau begrijpen we ook dat een gefragmenteerde versie van de Zoon van God in strijd is met elk ander deel. Het is dus niet enkel een oorlog die we met ons fysieke en psychische zelf voeren, maar met elke schijnbare afgescheiden Zoon van God.
(2:3-5) Hij (onze maker, het ego) hoort jouw gebeden niet, want hij is doof. Hij ziet de eenheid in jou niet, want hij is blind. Hij begrijpt niet dat jij de Zoon van God bent, want hij is zinneloos en begrijpt niets.
Dit brengt ons terug naar een vorige bespreking: we hebben ogen die niet zien, oren die niet horen en een brein dat niet denkt. Eens we geloven dat we van God afgescheiden zijn zien we niets anders dan geprojecteerde afbeeldingen van onze eigen nietigheid. Het lichaam is onbeduidend tegenover ware visie dat het denksysteem van de Heilige Geest weerspiegelt en volledig onafhankelijk is van onze zintuigelijke apparaten. In een favoriete passage vraagt Jezus waarom we aan ‘het enige ding in het hele universum dat onze werkelijkheid niet kent’ vragen wat onze werkelijkheid is:
Er is een vreemdeling (het ego) in hem, die achteloos de woning van de waarheid heeft betrokken en daaruit weg zal trekken. … Vraag niet aan deze vreemde voorbijganger: ‘Wat ben ik?’ Hij is de enige in heel het universum die dit niet weet. Maar juist aan hem vraag je het en juist aan zijn antwoord wil jij je aanpassen. Deze ene woeste gedachte, grimmig in haar arrogantie en toch zo nietig en zo betekenisloos dat ze ongemerkt door het universum van de waarheid heen glipt, wordt jouw gids. Tot haar wend jij je om de betekenis van het universum te vragen. En aan het enige blinde ding in heel het ziende universum van de waarheid vraag jij: ‘Hoe zal ik de Zoon van God bezien?’ (T. 20. III. 7:2, 5-10)
Het ‘ding’ aan wie we vragen ons te vertellen wie we zijn, ‘tot wie we bidden’ is het ego, die weerspiegelt wordt in onze lichamen, brein en zintuigen. We vragen het lichaam om ons te vertellen wat de werkelijkheid is, maar gezien het speciaal gemaakt is om dit af te schermen, kan het dit dus niet weten. Dat is waarom Jezus ons keer op keer en op een vriendelijke manier eraan herinnert dat we niet iets kunnen begrijpen. Dit betekent ook dat we Een Cursus in Wonderen niet begrijpen wanneer we blijven volharden om hem te benaderen vanuit een perspectief als individu en een speciaal zelf. De Cursus kan alleen maar begrepen worden wanneer we ons van dat zelf losmaken en terug keren naar het juiste-gerichte thuis van Jezus. Dit betekent alle gedachten opgeven over wie we denken dat we zijn. Met andere woorden, we kunnen de waarheid (geest) niet begrijpen vanuit het standpunt van de illusie (het lichaam), zoals in de volgende scherpzinnige passage in de tekst uitdrukkelijk vermeld staat:
Denk jij dat je de waarheid naar de fantasie kunt brengen en vanuit het perspectief van illusies kunt leren wat waarheid betekent? De waarheid heeft geen betekenis in de illusie. Zijzelf moet het referentiekader voor haar betekenis zijn. Wanneer je de waarheid naar illusies probeert te brengen, probeer je illusies werkelijkheid te verlenen en ze te behouden door jouw geloof erin te rechtvaardigen. (T. 17. I. 5:1-4)
(wordt vervolgd)

maandag 29 april 2019

Les 94 – Ik ben zoals God mij heeft geschapen. - deel 2


(4:2) God Zelf heeft beloofd dat die geopenbaard zal worden aan ieder die erom vraagt.

Met andere woorden, het is niet God Die de waarheid voor ons kan openbaren, noch Jezus of te Cursus. We moeten er om vragen en dat weerspiegelt het beetje bereidwilligheid om toe te geven dat wij verkeerd zijn en dat Jezus gelijk heeft: wij zijn verkeerd over het feit dat we afgescheiden en speciaal zijn als Zoon van God en Jezus is juist – wij zijn de Christus, één met onze Bron.
(4:3-4) Jij vraagt er nu om. Jij kunt niet falen, omdat Hij niet falen kan.
Dit houdt in dat we een gespleten denkgeest hebben en terwijl een deel van ons onze individualiteit niet wil opgeven en niet naar huis wil terugkeren, doet het andere deel deze lessen omdat dit het ego wil verlaten. Jezus doet hier een beroep op de keuzemaker om te kiezen voor het gezonde denksysteem van de denkgeest, dat bereikt wordt door de waanzin van het ego te erkennen en het te laten gaan.
(5:1-4) Als je niet aan het vereiste kunt voldoen elke eerste vijf minuten van het uur te oefenen, roep jezelf dan tenminste elk uur in herinnering:
Ik ben zoals God mij geschapen heeft.
Ik ben Zijn Zoon in alle eeuwigheid.
Zeg vandaag regelmatig tegen jezelf dat jij bent zoals God jou geschapen heeft.
De test voor onze vastberadenheid om ons Zelf te herinneren is de toewijding om de les van de dag te herinneren. Zoals we in les 95 zullen kunnen zien, ligt de werkelijke waarde van het werkboek in het aantonen van hoezeer we ons deze oefeningen niet willen herinneren, en dit, nogmaals, weerspiegelt ons ‘niet-wensen’ herinneren dat we zijn zoals God ons heeft geschapen.
(5:5-7) En vergeet niet om op iedereen die jou lijkt te irriteren, met deze woorden te reageren:
Jij bent zoals God jou geschapen heeft.
Jij bent Zijn Zoon in alle eeuwigheid.
Wanneer deze lessen bedoelt zijn om te oefenen dan moeten zij in het bijzonder toegepast worden telkens wij geïrriteerd zijn, ontmoedigd, boos, angstig of depressief. Met andere woorden, dat zijn de momenten wanneer we ons de les het meest moeten herinneren en de illusie of onze verwarring – onszelf zien als onfair behandeld of als slachtoffer – naar de waarheid, die Jezus voor ons vasthoudt, te brengen. Wanneer ik ben zoals God mij geschapen heeft, dan moet jij dat ook zijn, gezien de Zoon van God één is. Wanneer ik grieven tegenover jou vasthoudt dan moet het ook zo zijn dat ik ze tegenover mezelf vasthoud, Nogmaals, de Zoon van God is één, zowel in de Hemel als op aarde. We zijn dus samen genezen want het kan niet zo zijn dat er slechts een van ons alleen genezen is. We herinneren ons dus het Zelf dat God geschapen heeft en herinneren, als één met Hem, de Bron.
… dat alle macht van God komt. Jij kunt je dit voor heel het Zoonschap herinneren. Sta niet toe dat jouw broeder het zich niet herinnert, want zijn vergetelheid is de jouwe. Maar jouw herinneren is zijn herinneren, want God kun je je niet alleen herinneren. Dat is juist wat je vergeten bent. De genezing van jouw broeder zien als de genezing van jezelf is dus de manier om je God te herinneren. Want jij bent je broeders tegelijk met Hem vergeten en Gods Antwoord op jouw vergeten is niets anders dan de manier om je te herinneren. (T. 12. II. 2:4-10)
Jezus besluit door het belangrijkste punt van de oefening samen te vatten:
(5:8-9) Doe er vandaag alles aan de oefeningen elk uur te doen. Elk daarvan zal een reuzenschrede op weg naar je verlossing zijn en een mijlpaal in het aanleren van het denksysteem dat in deze cursus wordt uiteengezet.
Jezus herinnert ons dat dit een leerplan is waarin wij de leerling zijn en hij de leraar en dat we van hem willen leren omdat dat ons gelukkig zal maken. Onze leraar is vriendelijk en geduldig (de vierde en achtste eigenschap van een gevorderde leraar van God – HvL. 4. IV, VIII) en neemt samen met ons elke kleine, maar reusachtige stap van vergeving. Hij vraagt slechts om ons klein beetje bereidwilligheid dat door zijn grote bereidwilligheid zal omgezet worden naar die van ons, want elk heilig ogenblik is een raam die de Grootsheid van de eeuwigheid opent.

zaterdag 27 april 2019

Les 94 – Ik ben zoals God mij heeft geschapen. – deel 1


Dit is de enige les die herhaald wordt. Het is het idee van les 110 en les 162. Het is ook het centrale thema van de zesde herhaling en een belangrijk deel van het laatste hoofdstuk van de tekst (T. 31. VIII). Dit cruciale thema is de basis van het Verzoeningsprincipe dat het egodenksysteem corrigeert dat zegt dat ik niet ben zoals God mij heeft geschapen, maar dat ik een afgescheiden denkgeest ben die zijn thuis nu in het lichaam terugvindt.

(1:1-2) Vandaag gaan we voort met het ene idee dat volledige verlossing brengt, de ene verklaring die elke vorm van verleiding ontkracht, de ene gedachte die het ego tot zwijgen brengt en volledig ongedaan maakt. Jij bent zoals God jou geschapen heeft.
In de paragraaf waar ik net naar verwees ‘Maak je keuze opnieuw’ heeft Jezus het over de verleiding waar we voortdurend mee geconfronteerd worden: onszelf als een lichaam zien en dus het ego met het denksysteem van zwakte, ziekte en pijn werkelijk maken:
Verleiding kent één les die ze in al haar vormen wil onderwijzen, waar ze ook maar optreedt. Ze wil de heilige Zoon van God ervan overtuigen dat hij een lichaam is, is geboren in wat sterven moet, niet bij machte om aan de broosheid ervan te ontkomen en gebonden door wat het hem gebiedt te voelen. … Maak je dan ook de gelukkige gewoonte eigen elke verleiding om jezelf als zwak en ellendig te zien te pareren met de woorden:
Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Zijn Zoon kan niet lijden. En ik ben Zijn Zoon.
Zo wordt de kracht van Christus uitgenodigd te zegevieren en al jouw zwakheid te vervangen door de kracht die komt van God en nooit kan falen. En zo worden wonderen even natuurlijk als angst en ondraaglijke pijn dit leken te zijn, voordat de keuze voor heiligheid werd gemaakt. Want in die keuze vallen alle valse onderscheidingen weg, worden illusoire alternatieven terzijde gelegd en blijft er niets over wat de waarheid in de weg kan staan. Jij bent zoals God jou heeft geschapen en dat geldt ook voor elk levend wezen waarnaar je kijkt, ongeacht de beelden die jij ziet. Wat jij ziet als ziekte en als pijn, als zwakheid, lijden en verlies, is niets anders dan de verleiding jezelf als weerloos en in de hel te zien. Bezwijk daar niet voor en je zult zien dat alle pijn, waar en in welke vorm die zich ook voordoet, eenvoudig oplost als nevelslierten voor de zon. (T. 31. VIII. 1:1-2; 5:1-6:3)
Door te zeggen ‘Ik ben zoals God mij heeft geschapen’ aanvaarden we de Verzoening voor onszelf. Door dit gelukbrengende feit te geloven keren we onze rug naar het ego en zijn denksysteem dat berust op de aanname dat onze afgescheiden staat werkelijkheid is. Ook de wereld is ongedaan gemaakt want hier is niets van de perfecte Eenheid van onze Schepper. Bovendien, door de waarheid van de Verzoening te kiezen boven de illusie van afscheiding, kiezen we voor het einde van alle lijden. Alles in Een Cursus in Wonderen is een toelichting op deze waarheid en hoe we kunnen leren om dit te aanvaarden.
(1:3-5) De geluiden van deze wereld verstommen, de beelden van deze wereld verdwijnen en alle gedachten die deze wereld ooit heeft bevat worden door dit ene idee voorgoed weggevaagd. Hier is de verlossing volbracht. Hier is wijsheid hervonden.
Dit is een ander voorbeeld van de onderliggende metafysica van Een Cursus in Wonderen dat steunt op het alles-of-niets principe. Wanneer God waar is en wij blijven zoals Hij ons geschapen heeft dan is alles wat het ego ons geleerd heeft en alles wat de wereld vertegenwoordigd, onjuist. Het is niet alleen onjuist, het is nooit werkelijk geweest. De beangstiging die dit in ons teweegbrengt komt van de herkenning dat wanneer deze uitspraak waar is – dat de wereld nooit is geweest en gezien onze lichamen een integraal beeld uitmaken van de wereld – dit betekent dat wij er ook nooit geweest zijn. De angst van het ego dat we dit ontdekken. Deze angst houdt ook onze keuze tegen voor de gezonde geest van de Heilige Geest.
(2) Het ware licht is kracht en kracht is zondeloosheid. Als je zo blijft als God jou geschapen heeft, moet je wel sterk zijn en moet het licht wel in jou zijn. Hij die je zondeloosheid zeker stelde, moet ook jouw waarborg zijn voor kracht en licht. Jij bent zoals God jou geschapen heeft. De duisternis kan niet de heerlijkheid van Gods Zoon verbergen. Jij staat in het licht, sterk in de zondeloosheid waarin je werd geschapen en waarin je zult blijven tot in alle eeuwigheid.
Jezus gaat dieper in op de betekenis van het idee van de dag. ‘Ik ben zoals God mij heeft geschapen’ betekent dat niets wat het egodenksysteem van duisternis ooit heeft bedacht het licht van de Hemel heeft aangeroerd. Gezien wij, als Christus, deel zijn van dat licht, waar in de tekst naar verwezen wordt als de Grote Stralen (zie bijvoorbeeld T. 18. III. 8:7) zijn ook wij onaangeroerd. Zondeloosheid is onze kracht want het weerspiegelt de waarheid van de Verzoening: de afscheiding van het licht is nooit gebeurd. De duisternis van de schuld kan dit licht in onze nachtmerries bedekken, maar in werkelijkheid is er enkel licht.
(3) Vandaag zullen we opnieuw de eerste vijf minuten van elk uur dat je wakker bent, besteden aan een poging de waarheid in jou te voelen. Begin deze perioden van onderzoek met de volgende woorden:
Ik ben zoals God mij geschapen heeft.
Ik ben Zijn Zoon in alle eeuwigheid.
Probeer nu de Zoon van God in jou te bereiken. Dit is het Zelf dat nooit gezondigd heeft, noch ooit een beeld heeft gemaakt ter vervanging van de werkelijkheid. Dit is het Zelf dat Zijn thuis in God nooit verlaten heeft om ongewis in de wereld te leven. Dit is het Zelf dat geen angst kent, noch Zich een voorstelling kan maken van verlies, lijden of dood.
We worden nu gevraagd om elk uur te denken aan het thema van de dag. We beginnen met een duidelijke uitspraak over de werkelijkheid van onze Identiteit, een werkelijkheid die ontkracht wordt door de illusies van het ego van zonde en angst, vervreemding en lijden. Zij hebben geen thuis ins ons Zelf. Herinner je de verwijzing in de tekst naar het eerste gebod:
Gij zult geen andere goden voor Zijn aangezicht hebben, omdat er geen andere zijn. (T. 4. III. 6:6)
In de volgende alinea beschrijft Jezus hoe we de werkelijke Zoon van God kunnen bereiken, door voorbij te gaan aan ons illusoir zelf - dat geworteld is in het geloof dat afscheiding zonde is - naar de glorieuze waarheid van Christus:
(4:1) Om dit doel te bereiken wordt van jou niets anders verlangd dan dat je alle afgoden en zelfbeelden opzij zet, voorbijgaat aan de lijst eigenschappen, de goede zowel als de slechte die jij jezelf toegeschreven hebt en in stille afwachting op de waarheid wacht.
Dit beschrijft in het kort het proces van vergeving: om ons God te kunnen herinneren moeten we het ego loslaten. Onze taak is daarom niet de waarheid te bevestigen dat wij een Zoon zijn van God, maar de ontkenning van het ego ontkennen. We hebben deze samengevatte uitspraak reeds eerder gezien:
De taak van de wonderdoener wordt derhalve het ontkennen van de ontkenning van de waarheid. (T. 12. II. 1:5)
Om dit doel, ons Zelf herinneren, te bereiken moeten we ‘alle afgoden en zelfbeelden opzijzetten’. De hoofdblokkade is dat wij geloven dat zij ons zelfbeeld zijn, de kern van onze speciaalheid. We proberen dit beeld te beschermen door verantwoordelijkheid te ontkennen en een wereld te maken waarin de zonde van het bestaan gezien wordt in iedereen behalve in onszelf. Ons zelfbeeld is dus niet alleen dat van een speciaal individu, maar van een speciaal, onschuldig individu wat betekent dat iemand anders schuldig is.
Het verdedigingssysteem van het ego maakt vergeving ogenschijnlijk onmogelijk: om God te bereiken en ons te herinneren wie we als Christus zijn moeten we dus alle beelden loslaten. Zoals Jezus on herinnert omvatten deze beelden niet alleen de slechte, maar ook de goede. We hebben reeds gezien dat wanneer we het hebben over een positief zelfbeeld, we hiermee ook insluiten dat er een negatief is. Dit resulteert in een dualistische wereld van tegenstellingen, een onmogelijke staat in de Hemel. Uiteindelijk moeten we daarom ook het onjuist gerichte en het juiste gerichte dualistische denken overstijgen. We moeten echter eerst onze illusies van haat naar de correctie van de vergeving brengen, de duisternis van de afscheiding naar het licht van de Verzoening. Pas dan kunnen we de reis voltooien en ons Eén-gestemde Zelf vinden.
(wordt vervolgd)