woensdag 1 mei 2019

Les 95 – Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper. – deel 1.


Dit is een unieke les en het is de enige les waar Jezus halverwege de gedachte van de dag even loslaat en zich meer specifiek tot ons richt in verband met wat we moeten doen wanneer we niet doen wat hij ons vraagt te doen, met andere woorden wanneer we vergeten de dagelijkse opdracht te doen. Het is een merkwaardige bespreking waar we aanzienlijk wat tijd zullen aan besteden.
De eerste drie alinea’s gaan over het thema van de les, een vervolg over ons ware Zelf. Zoals eerder gezegd stelt deze serie van twintig lessen – van 91 tot 110 – ons ware Zelf als Christus voor tegenover het afgescheiden zelf van het ego. In deze les worden we herinnerd aan de essentie van onze Identiteit: Eénheid. De Zoon van God is niet opgedeeld in tal van fragmenten, maar is één en Zijn Eénheid is één met Zijn Bron.
(1:1-3) Het idee van vandaag beschrijft jou nauwkeurig zoals God je geschapen heeft. Jij bent één in jezelf en één met Hem. Aan jou is de eenheid van de hele schepping.
Dit is precies het tegenovergestelde van wat het ego ons vertelt. Het denksysteem van het ego is begonnen met het idee dat we afgescheiden zijn van God, onze Schepper en Bron. Met het evolueren van deze gedachte bleef het zich verder afsplitsen met als resultaat dat we van alles en iedereen afgescheiden zijn. Zo is de wereld ontstaan en wordt in de volgende passage omschreven:
Jij die gelooft dat God angst is, hebt slechts één enkele substitutie in het leven geroepen. Die heeft vele vormen aangenomen, want het was de vervanging van waarheid door illusie, van heelheid door fragmentatie. Ze is zo versplinterd geraakt en onderverdeeld en keer op keer opnieuw verdeeld, dat het nu vrijwel onmogelijk is te zien dat ze ooit één was en nog steeds is wat ze was. Die ene dwaling, die waarheid naar illusie, oneindigheid naar tijd en leven naar de dood heeft gebracht, was het enige wat jij ooit hebt gemaakt. Heel je wereld rust hierop. Alles wat je ziet is er een weerspiegeling van en elke speciale relatie die je ooit hebt gevormd maakt er deel van uit.
Misschien verbaast het je te horen hoezeer de werkelijkheid verschilt van wat jij ziet. Je beseft de omvang van die ene dwaling niet. Die was zo enorm en zo volslagen ongelofelijk, dat daaruit wel een wereld van totale onwerkelijkheid moest oprijzen. Wat kon er anders uit voortkomen? De versplinterde aspecten ervan zijn angstwekkend genoeg, wanneer je ernaar begint te kijken. Maar niets wat je hebt gezien toont jou ook maar enigszins de enorme omvang van de oorspronkelijke dwaling, die schijnbaar jou uit de Hemel wierp, kennis verbrijzelde tot betekenisloze stukjes gescheiden waarneming en je dwong tot het ondernemen van verdere substitutie. (T. 18. I. 4, 5)
De wereld is dus het tegenovergestelde van ‘de eenheid van de hele schepping’. Omdat zij haar oorsprong vindt in de gedachte van afscheiding en fragmentatie kan de wereld van lichamen alleen maar een plaats zijn van afscheiding en fragmentatie en zeker niet het thuis van de Zoon van God. Het geloof dat de wereld onze thuis is ontkent het Verzoeningsprincipe dat staat voor de eenheid van de Hemel, de perfecte heelheid van God en Christus die nooit veranderd is of zeggen dat wij onze Bron nooit hebben verlaten.
(1:4-5) Je volmaakte eenheid maakt verandering in jou onmogelijk. Je aanvaardt dit niet en slaagt er niet in te begrijpen dat het zo moet zijn, alleen maar omdat jij gelooft dat je jezelf al veranderd hebt.
Dit is de essentie van het geloof van het verkeerde denken. Niettegenstaande ons juist-gerichte zelf dat verlangt om de leer van Jezus te aanvaarden, wil ons ego zelf dat zeker niet, want het is er alleen maar op uit om zijn veranderde en speciale identiteit te behouden. Uitspraken zoals deze weerspiegelen Jezus’ gewaarzijn over onze weerstand om te leren dat de Zoon van God onveranderbaar is, wat ons zou helpen om onze schuld te verlichten en de behoefte om onze ‘zonde’ voor hem te verbergen. Echter, omdat we geloven dat we onszelf reeds veranderd hebben, is deze verandering werkelijkheid voor ons geworden en lijkt de mogelijkheid anders te kiezen niet langer een optie. Ik ben veranderd, wat wil zeggen dat ik afgescheiden ben van God en ook van alle afgescheiden Zonen. De toestand van perfecte eenheid is een droom geworden.
Jezus beschrijft nu dit kleine zelf waarvan we geloven dat dit onze werkelijkheid is:
(2:1-2) Jij ziet jezelf als een belachelijke parodie op Gods schepping: zwak, kwaadaardig, lelijk, zondig, ellendig en door pijn geplaagd. Dat is jouw versie van jezelf, een zelf verdeeld in vele elkaar bevechtende delen, afgescheiden van God en losjes bijeengehouden door zijn grillige en wispelturige maker tot wie jij bidt.
In het tekstboek verwijst Jezus naar het ego en het lichaam als een parodie op Gods schepping (T. 24. VII. 10:9). Hier wordt het een ‘belachelijke parodie’ genoemd. Het ‘glorieuze’ zelf waarvan we geloven dat God dit heeft geschapen, het zelf dat we geadopteerd hebben ter vervanging van het ware glorieuze Zelf die we zijn als de Zoon van God, perfect verenigd met onszelf als Christus en met Hem. Jezus toont ons de tegenstelling tussen deze twee zelven. Wanneer we onszelf uitstijgen boven het slagveld, terugkeren naar het keuzemakende gedeelte van onze denkgeest en opnieuw kijken naar dit zelf, dan zouden we ons realiseren dat wat wij als zo belangrijk en speciaal aanvoelen en wat bepaalt wie we zijn, een belachelijke parodie is op Wie we zijn. Wanneer we vaststellen dat we van streek zijn, ongeacht de vorm of de schijnbare oorzaak, moeten we een stap terugzetten en kijken en tegen onszelf zeggen dat onze reacties niets meer zijn dan een belachelijke parodie van ons Zelf. Dit betekent afstand nemen van deze identiteit, van onze investering in het onheus behandeld zijn en het waarnemen van lijden. Slachtoffergedachten en –gevoelens zijn het bewijs voor de werkelijkheid van het bestaan en van de vernietiging van God. Voor ons ego wil dit zeggen dat Jezus ongelijk heeft en wij gelijk. Maar we zijn nooit volkomen gelukkig omdat we nooit volkomen heel zijn. Fragmentatie triomfeert over heelheid. Op hoger niveau begrijpen we ook dat een gefragmenteerde versie van de Zoon van God in strijd is met elk ander deel. Het is dus niet enkel een oorlog die we met ons fysieke en psychische zelf voeren, maar met elke schijnbare afgescheiden Zoon van God.
(2:3-5) Hij (onze maker, het ego) hoort jouw gebeden niet, want hij is doof. Hij ziet de eenheid in jou niet, want hij is blind. Hij begrijpt niet dat jij de Zoon van God bent, want hij is zinneloos en begrijpt niets.
Dit brengt ons terug naar een vorige bespreking: we hebben ogen die niet zien, oren die niet horen en een brein dat niet denkt. Eens we geloven dat we van God afgescheiden zijn zien we niets anders dan geprojecteerde afbeeldingen van onze eigen nietigheid. Het lichaam is onbeduidend tegenover ware visie dat het denksysteem van de Heilige Geest weerspiegelt en volledig onafhankelijk is van onze zintuigelijke apparaten. In een favoriete passage vraagt Jezus waarom we aan ‘het enige ding in het hele universum dat onze werkelijkheid niet kent’ vragen wat onze werkelijkheid is:
Er is een vreemdeling (het ego) in hem, die achteloos de woning van de waarheid heeft betrokken en daaruit weg zal trekken. … Vraag niet aan deze vreemde voorbijganger: ‘Wat ben ik?’ Hij is de enige in heel het universum die dit niet weet. Maar juist aan hem vraag je het en juist aan zijn antwoord wil jij je aanpassen. Deze ene woeste gedachte, grimmig in haar arrogantie en toch zo nietig en zo betekenisloos dat ze ongemerkt door het universum van de waarheid heen glipt, wordt jouw gids. Tot haar wend jij je om de betekenis van het universum te vragen. En aan het enige blinde ding in heel het ziende universum van de waarheid vraag jij: ‘Hoe zal ik de Zoon van God bezien?’ (T. 20. III. 7:2, 5-10)
Het ‘ding’ aan wie we vragen ons te vertellen wie we zijn, ‘tot wie we bidden’ is het ego, die weerspiegelt wordt in onze lichamen, brein en zintuigen. We vragen het lichaam om ons te vertellen wat de werkelijkheid is, maar gezien het speciaal gemaakt is om dit af te schermen, kan het dit dus niet weten. Dat is waarom Jezus ons keer op keer en op een vriendelijke manier eraan herinnert dat we niet iets kunnen begrijpen. Dit betekent ook dat we Een Cursus in Wonderen niet begrijpen wanneer we blijven volharden om hem te benaderen vanuit een perspectief als individu en een speciaal zelf. De Cursus kan alleen maar begrepen worden wanneer we ons van dat zelf losmaken en terug keren naar het juiste-gerichte thuis van Jezus. Dit betekent alle gedachten opgeven over wie we denken dat we zijn. Met andere woorden, we kunnen de waarheid (geest) niet begrijpen vanuit het standpunt van de illusie (het lichaam), zoals in de volgende scherpzinnige passage in de tekst uitdrukkelijk vermeld staat:
Denk jij dat je de waarheid naar de fantasie kunt brengen en vanuit het perspectief van illusies kunt leren wat waarheid betekent? De waarheid heeft geen betekenis in de illusie. Zijzelf moet het referentiekader voor haar betekenis zijn. Wanneer je de waarheid naar illusies probeert te brengen, probeer je illusies werkelijkheid te verlenen en ze te behouden door jouw geloof erin te rechtvaardigen. (T. 17. I. 5:1-4)
(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten