zaterdag 1 december 2018

Les 72 – Grieven koesteren is een aanval op Gods verlossingsplan (deel 2).


(4:1-4) Je houdt je hier niet bezig met wat die persoon is. Integendeel, jij bent uitsluitend geïnteresseerd in wat hij doet in een lichaam. Je doet meer dan alleen niet helpen hem van de beperkingen van het lichaam te bevrijden. Je probeert hem actief daaraan te binden door hem daarmee te verwarren en ze beide over één kam te scheren.

In ‘Schaduwen van het verleden’ wordt ons ook verteld dat we de mens niet zien voor de Christus die hij is, maar als een schaduwfiguur gebaseerd op de projectie van schuld: het kwaad dat we in onszelf ervaren zien we in hen. De volgende passage beschrijft het onheilig gebruik van het lichaam door het ego ‘als het middel voor wraak’:

De schaduwfiguren zijn de getuigen die jij met je meebrengt om aan te tonen dat hij gedaan heeft wat hij niet heeft gedaan. … Ze vertegenwoordigen het kwaad waarvan jij meent dat het jou werd aangedaan. Je brengt ze alleen met je mee om kwaad met kwaad te kunnen vergelden, in de hoop dat hun getuigenis jou in staat zal stellen een ander schuldig te bevinden zonder jezelf te schaden. … Ze leveren jou de ‘redenen’ waarom jij je in onheilige bondgenootschappen zou moeten begeven om zo de doeleinden van het ego te steunen, en je relaties tot getuigen te maken van zijn macht. … Deze relaties hebben zonder uitzondering tot doel de waarheid omtrent de ander en jezelf buiten te sluiten. Dat is de reden waarom je in beiden ziet wat er niet is, en beiden tot slaaf van wraak maakt. En de reden waarom al wat jou aan je vroegere grieven doet denken jou aantrekt en voor liefde lijkt door te gaan, ongeacht hoe vervormd de associaties ook zijn waardoor je tot dit verband komt. En tenslotte de reden waarom elke relatie van dat soort een poging wordt om via het lichaam vereniging te bereiken, want alleen lichamen kunnen worden gezien als middel tot wraak. (T. 17. III. 1:6, 9-10, 12; 2:3-7)

Strikt genomen kan ik jou niet in de hel van het ego houden maar ik kan wel jouw keuze om daar te zijn herbekrachtigen door je gelijk te stellen met het lichaam die het doel vormt van de speciale relatie. Dus elke speciale relatie, en spijtig genoeg wil dat zeggen bijna alle relaties, is gesteund op illusies. Het begint met de illusie die we over onszelf vasthouden – ‘het thuis van kwaad, duisternis en zonde’ (Wd1. 93. 1:1) – waar we ons vervolgens proberen van ontdoen door een projectie op anderen. Ons geloof dat we afgescheiden zijn en geprojecteerd op anderen heeft ertoe geleid dat de geprojecteerde gedachte vorm heeft gekregen en werkelijk is gemaakt. Dus is onze broeder een lichaam en als wij dat ook zijn dan is dat niet onze fout. Het zondige en schuldige evenbeeld van onze in het verleden verkeerd gemaakte beslissing werd onze werkelijkheid terwijl onze realiteit als geest als een illusie wordt gezien.

(4:5-6) Hiermee wordt God aangevallen, want als Zijn Zoon alleen een lichaam is, moet Hij dat ook zijn. Een schepper die volkomen van zijn schepping verschilt is ondenkbaar.

In les 68 heb ik verwezen naar het concept dat God gelijk is aan welk concept we ook aan Zijn Zoon geven. Dus nogmaals als we onszelf en anderen als lichamen waarnemen dan is het niet mogelijk om God ook niet zo te zien. Dat komt omdat elke geloof dat we hebben over anderen direct afkomstig is van ons geloof over onszelf: projectie maakt perceptie. De manier waarop we onszelf waarnemen moet de manier zijn waarop we God, Jezus en alle anderen in het Zoonschap, zonder enige uitzondering, waarnemen. Daarom, om dit belangrijk punt nog maar eens te herhalen, spreekt Jezus over God alsof Hij een lichaam is, noemt hij Hem ‘Vader’, vraagt Hem om met ons in gesprek te gaan en vragen te stellen. Dit is echter niet omdat God weet zou hebben over deze illusie zoals we kunnen lezen in deze metafoor:

Maar noch de zon noch de oceaan is zich zelfs maar bewust van al die vreemde en zinledige activiteit. Ze gaan gewoon voort, zich er niet van bewust dat ze door een nietig segmentje van henzelf worden gevreesd en gehaat. (T. 18. VIII. 4:1-2)

Nog eens, Jezus spreekt tot ons alsof God van ons bestaan afweet omdat dit de manier is hoe we God kunnen ervaren; soort neemt soort waar, lichamen nemen lichamen waar, illusies nemen illusies waar.

(5:1-5) Als God een lichaam is, wat houdt Zijn verlossingsplan dan in? Wat anders zou het kunnen zijn dan de dood? Door te proberen Zichzelf te presenteren als de Auteur van het leven en niet van de dood, is Hij een leugenaar en een bedrieger vol valse beloften, die illusies in plaats van waarheid aanbiedt. De klaarblijkelijke realiteit van het lichaam maakt dit beeld van God heel overtuigend. In feite zou het, als het lichaam werkelijk was, inderdaad moeilijk zijn aan deze conclusie te ontkomen.

Deze passage stelt de bijbelse God voor! Wanneer we ons denksysteem van dualiteit werkelijk maken, maken we het lichaam werkelijk. Dit betekent dat we geloven dat we de echte God vernietigd hebben en Hem vervangen hebben door een godheid, letterlijk gemaakt vanuit ons eigen lichamelijk beeld en even leugenachtig en bedrieglijk. Wanneer het lichaam werkelijk is, iets wat we zeker geloven, dan moet dit beeld van God ook werkelijk zijn. Het denksysteem van het ego is logisch en standvastig is. Dus, als het lichaam werkelijk is, is het denksysteem die het gemaakt heeft en het nog steeds doordringt, ook werkelijk. En God die de projectie van onze schuld is moet dus ook een ego zijn. Hoofdstuk 13 in de tekst, in verband met de wereld van de lichamen gemaakt door ‘hen die gek geworden zijn door schuld’, begint met een gelijksoortig argument:

Het aanvaarden van schuld in de denkgeest van Gods Zoon was het begin van de afscheiding, zoals het aanvaarden van de Verzoening het einde daarvan is. De wereld die je ziet is het waansysteem van hen die gek geworden zijn van schuld. Kijk nauwlettend naar deze wereld, en je zult inzien dat dit zo is. Want deze wereld is het symbool van straf en al de wetten die haar schijnen te regeren zijn de wetten van de dood. Kinderen worden met pijn en in pijn in deze wereld geboren. Hun groei gaat gepaard met lijden en ze leren wat leed is, afscheiding en dood. Hun denkgeest lijkt opgesloten in hun hersenen en de krachten daarvan lijken af te nemen wanneer hun lichaam pijn lijdt. Ze lijken lief te hebben, maar ze verlaten en worden zelf verlaten. Wat ze liefhebben, schijnen ze te verliezen, wellicht de meest krankzinnige overtuiging van al. En hun lichamen kwijnen weg, hun adem stopt en ze worden onder de grond gelegd en zijn niet meer. Niet een van hen die niet gedacht heeft dat God wreed is.
Als dit de werkelijke wereld was, zou God ook wreed zijn. Want geen enkele Vader zou Zijn kinderen aan zo’n lot onderwerpen als tol voor de verlossing en toch liefdevol zijn. (T. 13. Inl. 2:1-3:2)

Geen wonder dat de bijbelse God zo’n verachtelijk figuur is. Hij is ons!

(5:6-9) En iedere grief die jij hebt, houdt vol dat het lichaam werkelijk is. Het gaat volledig voorbij aan wat jouw broeder is. Het versterkt jouw geloof dat hij een lichaam is en veroordeelt hem daarvoor. En het houdt staande dat zijn verlossing niets dan de dood kan zijn, waarbij het deze aanval op God projecteert en Hem hiervoor verantwoordelijk houdt.

Opnieuw projectie ten behoeve van de redding van het ego! Is er een betere manier om onze ware Identiteit verborgen te houden dan door een geestloos lichaam als werkelijkheid te zien. Is er een betere manier om het lichaam werkelijk te houden dan door het voortdurend te zien als het middel en veroorzaker van aanval. Hoe kan men het geloof dat aanval werkelijk is behouden dan door het te straffen door de ‘natuurlijke’ wet van de dood. En tenslotte hoe duivels sluw van de kant van het ego is het om deze wet onveranderlijk te maken dan door dit toe te schrijven aan de almachtige god hemzelf, zoals de bijbel het zo schaamteloos beweert. Men kan alleen maar de vindingrijkheid van het ego bewonderen ook al lijden we onder zijn met schuldbeladen juk.

(6) Naar deze zorgvuldig bereide arena, waar razende dieren op prooi jagen en genade geen toegang heeft, komt het ego om jou te redden. God heeft jou een lichaam gemaakt. Heel goed. Laten we dit aanvaarden en er blij om zijn. Laat je, als lichaam, niet beroven van wat het lichaam jou te bieden heeft. Neem het weinige wat je krijgen kunt. God gaf jou niets. Het lichaam is je enige verlosser. Het is Gods dood en jouw verlossing.

Dit is een vrij sterke passage, maar als we heel eerlijk zijn met onszelf zullen we ons realiseren dat dit niet enkel is wat religies geloven, maar dat wij dat evengoed geloven. En religies onderwijzen dit inderdaad omdat zij door het ego zijn gemaakt.
Er wordt hier verwezen naar de kleine stukjes van speciaalheid waar we zo wanhopig naar op zoek zijn en waarop we ons vastpinnen. Daarom zegt Jezus in de tekst dat het probleem niet is dat we teveel vragen, maar veel te weinig (T. 26. VII. 11:7) en waarom hij ons vraagt het gebruik van ons lichaam eens in overweging te nemen:

Denken dat je met zo weinig tevreden en gelukkig kunt zijn is jezelf kwetsen; (T. 19. IV. A. 17:12)

In Het Lied van het Gebed dringt hij er op aan niet stil te blijven staan bij de delen van het lied maar in plaats daarvan te zoeken naar de ervaring van het lied zelf. Met andere woorden we moeten de povere specifieke vervangingen van speciaalheid van het ego niet willen aanvaarden wanneer Jezus ons de totaliteit van de Liefde van God aanbiedt:

Je kunt dus niet om de echo vragen. Het lied is juist het geschenk. Samen daarmee komen de boventonen, de harmonieën, de echo’s, maar deze zijn ondergeschikt. Bij het ware gebed hoor je alleen het lied. Al het overige is er slechts aan toegevoegd. Jij hebt eerst het Koninkrijk der Hemelen gezocht en al het andere is jou inderdaad gegeven. (L. 1. I.3)

Het ego vertelt ons dat God ons niets gegeven heeft. Hij gaf ons een lichaam en liet ons daarna achter. En we kunnen hier niets aan doen. Meer zelfs, hij zal ons doden. En daarom, gaat het ego verder, laten we er, zolang we hier zijn, het beste van maken en elke lichamelijke kruimel van plezier die we kunnen krijgen binnenhalen. Vertaald in de pessimistische woorden van Isaiah, de auteur van het Boek van Ecclesiastes, klinkt het zo: ‘Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen zullen we dood zijn’ (Isaiah 23:13). Het ego gelooft dan dat het als laatste lacht om het simpele feit dat er een lichaam is dat kan leven en sterven wat dus wil zeggen dat de werkelijkheid van God en Christus als een eeuwige geest, een illusie moet zijn. We zijn dus gered voor de Liefde van God en voor de speciaalheid van het ego.
(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten